De Amerikaanse toerist die op de luchthaven Zaventem een keurig autootje heeft gehuurd, is een paar uur later alweer terug. Trillend overhandigt hij de sleutels aan de verhuurder. Hij is bereid de volle veertien dagen huur betalen, hij wil Brussel desnoods kruipend verkennen, als hij er maar niet meer achter het stuur hoeft te zitten.
De snelwegramp van een week geleden had overal kunnen plaatsgrijpen. Tegen een witte muur van mist begin je niets, of je nu 140 of 90 rijdt. In de mistbank groeide in enkele minuten een berg van tweehonderd auto's, brandende wrakken, verwrongen staal, rokend rubber, lekkende benzine, ledematen, tien doden, tientallen gewonden.
Het had overal kunnen zijn. Dat weet de Belg. Maar het was toevallig tussen Gent en Kortijk. En de Belg beseft zich plots weer hoe levensgevaarlijk zijn wegen zijn. Er is in de Europese Unie maar één land waar jaarlijks meer dodelijke verkeersslachtoffers vallen: Portugal. En tel je niet alleen de dodelijke, maar àlle verkeersongevallen, dan is België de onbetwiste lijstaanvoerder.
Vermaard zijn inmiddels de weekenddoden. Ze halen de maandagkrant nog wel, maar dan opgeteld in één kort berichtje. Altijd hetzelfde: Golfje met hoge snelheid tegen een boom geklapt, de vier inzittenden, gemiddelde leeftijd twintig jaar, op slag dood.
De weekenddoden zijn de stappers. Na het derde praatprogramma over het onderwerp begin je te denken dat hier een cliché van jewelste is geboren. Maar je komt ze echt tegen: Golfjes op de snelweg, zij aan zij, 120 per uur, volgepakt met jongelui die elkaar door het open raam hun fruitsapjes doorgeven.
Je houdt je hart vast op de Belgische wegen.
Rijden die Belgen dan zo slecht? Nee, tenminste niet slechter dan andere Europeanen.
Zijn de Belgische wegen zo slecht? Ook niet. De afslagen zijn soms verdacht kort, de bewegwijzering lijkt gemaakt voor rallyrijders, die hun auto in een bocht kunnen góoien. Maar verder, nee, de Belgische wegen zijn geweldig.
Dat is het juist. België is gemaakt voor de auto. Je schijnt het land vanuit de ruimte duidelijk te kunnen zien, het is de enige plek op de hele aardbol waar alle snelwegen verlicht zijn.
En ze zijn breed, de wegen. Niet alleen de 'grote baan', maar tot in het hart van de stad. De belangrijkste weg naar het centrum van Brussel telt vijf rijstroken. Daar 50 rijden is zelfmoord. Er geldt dan ook een snelheidslimiet van 70 kilometer per uur, midden in de stad. En zelfs het respecteren van die limiet is waanzin. Dat doet geen hond. De baan ligt voor je open, geen rechtervoet die de verleiding kan weerstaan. Alle goede voornemens verdwijnen als je die asfaltvlakte voor je ziet.
België is gemaakt voor de auto. En de automobilist vertrouwt daar blindelings op. Er hoeft maar een strootje op de weg te liggen en hij is de kluts kwijt.
Ze hebben een paar maanden gewerkt aan de E40, Leuven-Brussel. Het was iedere dag raak. Bizarre ongevallen soms; de werklui laten hun machines op de vluchtstrook, man met pech strandt op de rechterbaan, het achterop komend verkeer klapt daar vrolijk bovenop. Ik heb onlangs een paar Nederlandse jongens de auto van pa volledig in elkaar zien rijden toen een Belg met pech op de línkerrijstrook stond.
Het is hier op de weg minder druk dan in de Randstad. Maar de lokkende Belgische asfaltbaan leidt naar brokken.
Kinderen die per fiets naar school gaan zijn al zeldzaam, maar het aantal dat de tocht niet overleeft is schrikbarend. In alweer een praatprogramma wordt die toestand aangeklaagd. Terecht. Maar als je dan de kruispunten ziet waar die kinderen zijn omgekomen, geen haar op je hoofd die eraan denkt daar over te steken, dat zijn vierbaans circuits, met een bordje '80' dat een zinloos bestaan leidt.
België knuffelt en koestert de auto. Tot de dood erop volgt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.