MAASTRICHT - De speurtocht naar nieuwe strategieën om ontwikkelingssamenwerking onder de publieke belangstelling te brengen, is op een dwaalspoor gekomen. Anderhalve dag praten, tijdens een congres in Maastricht, heeft vooral verwarring opgeleverd en geen enkel nieuw idee.
De ruim 400 000 gulden kostende internationale conferentie over ontwikkelingssamenwerking leverde het beeld op van een sector die zichzelf in stand wil houden, het onderling goed kan vinden, maar er slecht in slaagt de contacten met de omringende wereld van consumenten, producenten en politici te onderhouden. De organisatie was zich bij de voorbereiding terdege van dit fenomeen bewust, en trachtte de cirkel te doorbreken door bedrijven als Disneyland uit te nodigen. Maar aan Disneyland werd geen vraag gesteld, de vertegenwoordiger van de pretfabriek mocht zijn verhaal vertellen, maar werd vervolgens geconfronteerd met een klaagzang over de noden in de sector. Ook de stichting Max Havelaar mocht het succes van zijn Oké-banaan toelichten, maar de circa 150 congresgangers konden de brug naar hun eigen problemen niet vinden.
Was er wel een probleem? Is er eigenlijk wel sprake van afgenomen belangstelling voor ontwikkelingssamenwerking, vroegen sommigen zich af, verwijzend naar enquête-uitslagen die het tegendeel bewijzen. De helft van de congresgangers twijfelde niet aan de voortdurende aandacht voor het onderwerp, en weigerde daarom te zoeken naar nieuwe wegen. Het grote probleem is in hun ogen niet de publieke belangstelling, maar het gebrek aan interesse van de politici, met als gevolg lagere overheidsbudgetten voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling. Moet de aandacht daarom niet vooral worden geconcentreerd op de politici die bij de geldkraan staan?
Het congres was af en toe een gênante vertoning. Zoals tijdens de werkgroep van de Europese Commissie. Medewerkers van diverse directoraten-generaal uit Brussel misbruikten de workshop, zoals vergaderen in congresjargon heet, om te praten over de eigen budgetten. Waarom kreeg de een meer ecu's voor voorlichting dan de ander. En uiteraard grepen vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties hun kans om te klagen over de moeite die het kost om in Brussel ergens subsidie voor te krijgen.
Wellicht de meest concrete suggestie kwam van een Britse programma-maker die erkende dat de sector worstelt met een imago-probleem. “Het slechtste wat hulporganisaties nu kunnen doen, is krampachtig zorgen dat op de televisiebeelden hun logo's in beeld komen. Het lijkt ondertussen wel een winkelstraat als je in een vluchtelingenkamp in Ruanda loopt. Tussen de logo's van de hulporganisaties kun je amper nog een vluchteling zien. Dat is niet de weg die bewandeld moet worden. Het gaat tenslotte niet om het imago van de organisaties, maar om de problematiek zelf.”
Wat zich als beeld opdringt is dat de sector van ontwikkelingssamenwerking zijn bestaansrecht niet alleen meer ontleent aan problemen in de derde wereld, maar ook een doel op zich is geworden. En die sector heeft het benauwd. De wereld begint lastige vragen te stellen. Wat heeft dertig jaar ontwikkelingshulp nu opgeleverd? Waarom is het de Aziatische 'tijgers' wel gelukt om aansluiting te krijgen bij de mondiale handelsstromen, en hoe komt het dat Afrika ondanks alle inspanning de boot op een paar uitzonderingen na nog steeds lijkt te missen?
De eerste gevoelige rekeningen worden gepresenteerd. Zo is er het recente rapport van de Wereldbank, dat tot de conclusie komt dat hulp in zijn algemeenheid geen economische groei heeft gegeven, tenzij de regeringen van de ontvangende landen er in slaagden een goede macro-economische politiek te voeren. Het tweedaagse congres van Maastricht heeft op die frontale aanval geen antwoord weten te formuleren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.