*

 
dossier

Archief

Brandbare waar voor de goden

COKKY VAN LIMPT − 11/01/97, 00:00

Hemelse Gewaden uit China; t/m 9/3 in de Kunsthal Rotterdam, Westzeedijk 341; di-za. 10-17 u., zo 11-17 u. Catalogus: ¿ 49,50.

De kern van Haks' collectie bestaat namelijk uit papier. In de zogenaamde 'papershops' van Singapore verzamelde hij jarenlang 'art to burn', eenmalige kunstobjecten, die maar één doel dienden, namelijk verbrand worden - als offer aan goden en overleden voorouders.

Ongeveer een kwart van Leo Haks' collectie is sinds 21 december tentoongesteld in de Kunsthal Rotterdam. 'Hemelse gewaden uit China. Geschenken voor goden en doden' is de naam van deze curieuze wintertentoonstelling, die is ingericht door Leo's broer Frans Haks, de voormalig directeur van het Groninger museum. Behalve schitterende handbeschilderde papieren gewaden, lakens, kledingdecoraties en van papier-mâché gemaakte poppen en (mythologische) dierfiguren toont de expositie ook tempeldoeken, lijkwaden en operakostuums.

Vooral de papieren gewaden en voorwerpen zijn intrigerend. Aangezien ze er letterlijk voor zijn gemaakt om verbrand te worden, bij begrafenissen en tijdens religieuze festivals, is het op zich al bijzonder dat iemand überhaupt een verzameling heeft kunnen aanleggen van deze vorm van volkskunst. Dat ging ook niet vanzelf. Haks moest eerst het vertrouwen winnen van de verkopers van deze brandbare religieuze waar. Toen ze eenmaal doorhadden dat het hem niet te doen was om de commercie, maar om de esthetische en artistieke waarde van deze wondere papierkunst, kreeg hij toegang tot vergeten kasten en zolders waar hij de mooiste exemplaren onder het stof vandaan wist te halen.

De rituele verbranding van papieren kleding en voorwerpen is bedoeld als offerande voor de vele boeddhistische en daoïstische goden, die de Chinese religieuze traditie rijk is. Ook wordt er geofferd aan overleden voorouders. Volgens de Chinese traditie moeten familieleden hun dierbare overledenen voorzien van alles wat ze maar eventueel nodig zouden kunnen hebben in de andere wereld. Deze gebruiksartikelen - kleding, schoenen, geld, zelfs huizen en auto's, motorfietsen, strijkijzers, video- en cassetterecorders - worden alle van papier gemaakt of op papier geschilderd en aan het einde van een tempelceremonie verbrand. Via de vlammen worden de spulletjes 'verzonden' naar de voorouders of de goden. Tijdens de verbranding, op brandstapels of in kalebasvormige verbrandingsovens, worden naam en adres van begunstigde en afzender hardop uitgesproken.

De papieren gewaden in Haks' collectie - een paar honderd - zijn tussen 1930 en 1960 gemaakt in China, in de provincie Guangdong, en zijn alle handbeschilderd. Haks kocht ze in de jaren '70 en '80 in de Singaporese papershops, die deze oude(re) modellen, ondanks de artistieke en esthetische waarde die ze vertegenwoordigen, toen al niet meer aan de straatstenen kwijt konden. De Chinezen in Singapore vonden en vinden nog steeds dat handbeschilderde kleding 'ouderwets' is - in hun ogen kun je daarmee tegenwoordig niet meer aankomen bij de goden. Liever offeren ze 'moderne' kleren, die in Bangkok in massaproduktie van de offset-persen rollen.

Dat Haks zo'n brede verzameling originele papieren gewaden van de vergetelheid, de vlammen of anders wel van de witte mieren of ratten van de papershops heeft weten te redden, betekent het behoud van een cultuurschat die anders zeer zeker verloren zou zijn gegaan. Sinds de communistische machtsovername in China in 1948 en vooral na de 'Grote Sprong Voorwaarts' in de jaren '50 is het gebruik en de productie van de vele religieuze artikelen namelijk sterk onderdrukt en zelfs verboden. Bovendien werd in die periode het papier schaars in China. Om toch grote stukken te kunnen maken plakte men soms stukjes papier aan elkaar en bedekte dit met een dikke laag verf, zodat toch één groot oppervlak ontstond. Zeker is in elk geval dat er al sinds lange tijd in heel China geen papieren gewaden meer met de hand worden gemaakt en beschilderd.

Toen hij begon met verzamelen, was Haks louter om esthetische redenen geïnteresseerd in de gewaden en andere voorwerpen van papier. “Ze waren prachtig, ze fascineerden me en zouden geconserveerd moeten worden, maar ik wist weinig over hun ceremoniële betekenis. Het verbranden van papieren kleding als offer is een aspect van de Chinese gewoonten dat tot op de dag van vandaag nog nauwelijks door de wetenschap is aangeroerd. Ik heb zelfs in het geheel geen engelstalige literatuur kunnen vinden over dit onderwerp”, zegt Haks in een interview in de tentoonstellingscatalogus.

Chinese mensen beginnen vaak lang van tevoren met de voorbereidingen voor hun dood. Hun begrafeniskleren hebben ze soms jaren voordat ze sterven al klaar. Deze lijkwaden kunnen wel uit dertien lagen textiel bestaan: een onderhemd, bovenhemd, ochtendkleding, werkkleding, avondkleding en als bovenste laag een soort galakostuum. Leo Haks heeft ook van deze dodenkleding een bijzonder mooie collectie aangelegd, waarvan de meest opmerkelijke exemplaren in de Kunsthal te zien zijn.

De derde soort gewaden die Haks aan zijn collectie heeft toegevoegd zijn operakostuums. Een soort kledij die zo op het eerste gezicht uit de toon lijkt te vallen in een kunstverzameling die is geassocieerd met offerrituelen, maar er bij ander inzien juist helemaal blijkt bij te horen. Operavoorstellingen maken namelijk in de regel deel uit van de religieuze festiviteiten die ter ere van een kalenderfeest of de verjaardag van een godheid in en om de tempel worden georganiseerd. Niet dat de operazangers op veel aandacht van de omstanders kunnen rekenen, maar daar is het hen ook niet om te doen. Hun opera's worden immers vooral opgevoerd voor hemelse ogen - om de goden te behagen en de demonen te verjagen - en zijn niet in eerste instantie voor een aards publiek bedoeld.

In de Kunsthal neemt de opera-'set' een bijzondere plaats in. Onwaarschijnlijke hoofdtooien en schitterende gewaden, weelderig versierd met goud- en zilverbrokaat en duizenden glitterende roze, turquoise, rode en groene pailletten, voeren - opgehangen aan piepende en knarsende ijzeren draden - een wonderbaarlijke pantomime op. Buigend, heen-en-weer-schuivend en -draaiend onder aan- en uitflitsende toneellichten lijkt dit bewegingspel op een rituele dodendans voor door de mens verlaten omhulsels.

Ook zeer tot de verbeelding spreken de vele poppen, dier- en halfdier-halfmens-figuren van papier-mâché, die uit Haks' Chinese sprookjeskoffer tevoorschijn zijn gekomen. Wat bij voorbeeld te denken van dat mannetje dat een handstand maakt vanuit een hem tot romp dienende aliekruik? Of van die kikker met dat mannengezicht en twee zwaaiende mensenarmpjes? En van de vismannetjes - halfmens-halfvis - (zie foto) die bedrijvig met hun speertjes in de weer schijnen te zijn om de 'Drakenkoning van de Oostelijke Zeeën' te beschermen? Wat is de symboliek van die gezadelde tijger, de olifant of de twee paradijsvogelachtige phoenixen?

De tekstbordjes bij de vitrines en de catalogus vermelden dat deze poppen en figuurtjes doorgaans worden gebruikt voor diorama's (kijkkasten), dat er vaak sprookjes of volksvertellingen mee worden verbeeld en dat ook deze figuurtjes uiteindelijk ten prooi vallen aan de vlammen, om in de andere wereld van goden en voorouders hun bestaan voort te zetten. Vragen naar de diepere betekenis en symboliek van deze tot de fantasie sprekende poppengalerij blijven echter onbeantwoord. Datzelfde geldt voor vragen naar de symboliek van de schilderingen op gewaden en lakens en naar de betekenis van geborduurde voorstellingen op tempeldoeken. Vragen, die helaas vragen blíjven; noch op de expositie noch in de tekst van de overigens zeer fraai uitgevoerde catalogus zijn antwoorden te vinden. De tentoonstelling blijft daardoor steken in een bijzonder fraai kijkspel, wat niet voor elke bezoeker bevredigend zal zijn.

mailIcon print |