Langs de Gulp Voor deze wandeling in het Zuidlimburgse land is het riviertje de Gulp onze richtingaanwijzer, van Slenaken naar Gulpen. De plaatselijke VVV's hebben tal van wandelroutes uitgezet. De hier beschreven tocht is gemaakt aan de hand van de Wandelgids voor het Geuldal van de Vallekebergse Alpe Vrung, een clubje alpinisten die vele bergtoppen in de wereld hebben beklommen. Het is een aardige uitgave van wandelingen langs de Gulp en de Geul, voor ¿9,- te bestellen bij de Vrung (tel. 04406-13822), voor ¿12,90 in de gespecialiseerde kaartenwinkel. Voor informatie over het busverkeer tussen Slenaken en Gulpen, tel. 06-9292.
Maar het blijft leuk te horen dat 'Nappie' mogelijk ooit gelogeerd heeft aan de bron van de Gulp en dat hij daarbij in Henri Chapelle, net over de grens in België, een piezeltje water naar het noorden heeft zien wegstromen. Al was het maar omdat de Gulp een geinige geul is, kronkelt bij het leven en er om vráágt bewandeld te worden - voor mijn part in de geest van Napoleon.
Uit hoger sferen (265 meter) daalt ze neer, gevoed door borrelende bronnetjes in het weiland ten noorden van Henri Chapelle (Hendrik Kapelle). 'La Gulp' noemen de Voerenaren haar daar en dat klinkt eigenlijk wel zo aardig. Vlak voor Slenaken passeert ze de grens en daar pakken we haar bij de kladden. Het is een bekende toeristennederzetting, dit Limburgse dorp, met alle drukte van dien. Maar eenmaal de eerste geelblauwe verfstreepjes gevolgd wandel je in de rust van het Gulpdal: bij 't brugske en bij het Christusbeeld met de plastic krans van narcissen, midden in het dorp, begint het voetpad langs de rivier.
De Gulp is de grootste zijstroom van de Geul. Ze lijken ook veel op elkaar: qua naam bijvoorbeeld (Gulippa, zoals de Germanen zeiden, of Galopia, wat de Romeinen ervan maakten, betekent 'kleine Geul'). Het uiterlijk van de riviertjes is ook vrijwel identiek: ze meanderen dat het een lust is, snijden walkanten af zoals een warm mes door de boter gaat en leggen elders weer grond neer - en dat gaat maar onvermoeibaar door. Gulp en Geul drijven allebei watermolens aan, die vaak al eeuwen mee-gaan. Hun flora vertoont sterke overeenkomsten, zoals blijkt uit de gevlekte aronskelk en de daslook. Wat de Geul wèl en de Gulp níét heeft, is het zinkviooltje: een curieus verschijnsel dat z'n bestaan te danken heeft aan een zinkmijn op Belgisch grondgebied waar de rivier doorloopt.
De Gulp is een aartstwijfelaar. Ze koerst niet direct op haar doel af, stroomt niet recht vooruit, maar bedenkt allerlei uitvluchten om het verblijf in het dal te rekken. En voor een wandelaar is dat kasie, want zijn route kronkelt daardoor net zo hard mee. Het voetpad door de weilanden blijft steeds rechts (oostelijk) van de beek en zit vol 'sjtegelkes', die simpele draaihekjes die ze in de rest van het land helaas nog steeds niet hebben uitgevonden. Onderweg scharrelen we langs paddenpoeltjes, holle weggetjes, een hellingbos aan de rechterhand, af en toe (in de wintertijd) een glibberig paadje, een kasteeltje en een oude watermolen.
Bij Pesaken steken we de Gulp over naar Euverem, marcheren een tijdje op asfalt en verbazen ons over een lelijk pretpark. Via een voetpad bereiken we kasteel Neuborg. De burcht is in z'n eeuwenlange bestaan een aantal malen verbouwd en uitgebreid, heeft vips ontvangen als tsaar Peter de Grote en fungeerde tot voor kort als hotel. Dat is helaas voorbij. Het hek zit nu op slot, het fraaie park is taboe - alleen de Gulp is daar nog welkom, wij niet.
Dat is bij de watermolen van Gulpen wel anders. 'Wandelaars welkom' staat er op een bordje en dat is niet alleen vanwege de pannekoeken. De molen dateert oorspronkelijk uit 1712, brandde in 1905 af en werd weer opgebouwd. Met hulp van de Gulp wordt tarwe gemalen voor de pannekoeken en gerst en rogge voor de verkoop.
Een vriendelijk plaatsje, dat Gulpen. Fonteinen zorgen voor een spetterend welkom, de horeca voor de versnapering en de Gulperberg voor een klimpartij en ademnood. We gaan te voet terug naar Slenaken (er rijden ook bussen), niet meer langs de rivier maar over het plateau.
Van Gulpen naar Pesaken verbijten we ons nog een keer over de barse kasteelheer van Neuborg; we mogen zijn erfgoed alleen van een afstandje bekijken. Inmiddels loopt er links een oude spoordijk een eindje met ons op. Hier tufte van 1923 tot 1939 het trammetje tussen Vaals en Maastricht. Om de Gulp over te kunnen steken was een 600 meter lange spoorbrug gebouwd, 22 meter hoog boven het dal: een feest voor de reizigers, een ramp voor het landschap. De brug is verdwenen en van de 17 locomotieven uit dat stoomtijdperk is er slechts één bewaard gebleven: op het museumlijntje Hoorn-Medemblik zijn ze er nog blij mee.
De terugtocht wordt beloond met fraaie vergezichten, die ons overtuigen dat er 'gee schunder land' is dan het Limburgs mergelland. Of om het Aardrijkskundige leerboek voor de lagere school uit 1935 te citeren: 'Wat 'n heuvels. Wat 'n prachtige vergezichten, groene weiden, geplooid tegen hellingen, afgezet met een rand van bossen en hagen.' Het is een lekker klimmetje, gedeeltelijk door een hellingbos en eindigend op de 'hoogvlakte' van Heyenrath. Vlak bij het dorp steken we de asfaltweg over en lopen over een veldweg achter Heyenrath langs. Uiteindelijk maken we een 'afzink' van een kleine honderd meter om terug te keren naar Slenaken, naar het blondschuimend bier.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.