*

 
dossier

Archief

KWAADAARDIG (1)

JOS TEMMINK − 10/01/96, 00:00

Op een januaridag in 1993 bevestigde de arts haar angstige vermoeden: Jos Temmink heeft kanker. Er volgden onderzoeken, ziekenhuisopnamen en operaties. Jos Temmink hield een dagboek bij van haar dagen van hoop en vrees. In de rubriek 'Kwaadaardig' staan fragmenten uit dit persoonlijke verslag.

“Dame, je bent uniek”, zegt chirurg H. in het Heemsteedse ziekenhuis. Ondanks al mijn zenuwen en vrees voor de toekomst weet ik hem te antwoorden: “Natuurlijk ben ik uniek, ook zonder die kanker.” Een glimlach op zijn gezicht, een flauwe afspiegeling daarvan op het mijne. Maar levensgroot staat op het beeld van mijn hersenen: Je hebt kanker en het is kwaadaardig. H. praat verder, schetst wat er allemaal gaat komen. Onderzoeken, operaties. Uiterlijk onbewogen hoor ik hem aan. Van binnen één grote ijsklomp. Ik hoor mezelf technische vragen stellen, terwijl de paniek in mij zich opzweept van een storm tot een orkaan. H., mijn kalmte ten onrechte aanziend voor aanvaarding, stuurt me naar de internist. Met hem moet ik het programma doornemen dat voor me is uitgestippeld. Of het behandelbaar is, wil ik nog weten. “Behandelbaar? Dat hangt ervan af of, wat, waar en hoe we het vinden.” Hoor ik dat goed? Betekent dit, dat ik de langste tijd van leven gehad heb? Ik durf het niet te vragen.

De internist verwelkomt mijn nuchterheid opgelucht. Zegt dat de specialisten in Heemstede besloten hebben me over te dragen aan de deskundigen in het Amsterdamse Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Het in kanker gespecialiseerde ziekenhuis. Vooral ook vanwege de unieke vorm van mijn kanker. Opgewekt deelt hij me mee, dat ik daar al over enkele dagen terecht kan. Op mijn vraag of ik de reislustige dochter, die ergens in Nepal of India zit, moet opsporen, zegt hij: “Welnee, zó snel laten we je niet doodgaan.”

Zo rijd ik naar huis. Verkrampt, het stuurwiel in een wurggreep, de ogen recht vooruit, starend naar een weg die ik amper waarneem. Huilen kan ik niet. God weet dat ik kàn huilen. Maanden, jaren, uit onmacht en woede, uit liefdeloosheid en eenzaamheid. Maar nu, nu ik waarschijnlijk de laatste fase van mijn leven ben ingegaan, nu blijven de tranen weg. Deze bron, die zo'n opluchting bij verdriet kon geven, is uitgedroogd. Geen rivieren van verdriet borrelen omhoog, geen watervallen van onmacht stromen neer. De restanten van wat eens mijn uitlaatklep was, bereiken nog slechts de oogkassen. Ik heb kanker. Ik ga er misschien wel aan dood. Maar ik heb geen tranen meer.

Het begon allemaal in oktober vorig jaar. Ik was moe, heel erg moe. Maar schreef dat toe aan te hard werken en te veel uitgaan. Tot op een dag mijn rechterhals opzwol. Alsof ik eenzijdig de bof kreeg. Mijn prominente kin vormde één rechte lijn naar mijn borst. Dat duurde een dag of drie en ik zette het incident van mij af. Toch bleef er een zachte glooiing die er niet hoorde. Na enig aandringen van mijn familie bezocht ik de huisarts. Die noemde in eerste instantie non-Hodgkin. Maar op mijn “dus kanker”, trok hij zijn opmerking in. “Een verstopte speekselklier ligt meer voor de hand”, zei hij. Toch was er diep in mij die zekerheid: het is kanker.

Vandaag weet ik het zeker. Ik ben een nieuwe, wellicht laatste, fase van mijn leven ingegaan.

mailIcon print |