*

 
dossier

Archief

Veldritkampioen Richard Groenendaal wil niets weten van wraak op renner die hem 'flikte'

JOHAN WOLDENDORP − 15/01/96, 00:00

ZWOLLE - Richard Groenendaal en Adri van der Poel mogen zich als ploegmakkers bij tijd en wijle uitleven in een heuse broedermoord, zoals de vorige week in de Superprestige cross in Sint Michielsgestel, hun nieuwe sponsor spint er publicitair volop garen bij. Topsport floreert nu eenmaal bij de gratie van rivaliteit. Dus, wat is er mooier dan dat twee vrienden voor het leven elkaar, als in een crime passionel, in de wielen rijden?

En, om het toepasselijk te houden in het veldritcircuit, elkaar energiek met kluiten modder begooien? Dat laatste gebeurt tegenwoordig steeds meer binnenskamers, sinds het kwaadaardige virus van de mediatraining in het peloton woekert. Op trainingskamp in Spanje kwam een journalist keurig voorzeggen wat je in staat van opperste woede wel en vooral niet moet zeggen. Gecontroleerde emotie, of nog 'beter': helemaal geen emotie. Topsport dus als een soort reageerbuisbevruchting. Het was natuurlijk niet fraai wat Van der Poel Groenendaal in diens woonplaats flikte, maar in de wielerwereld niet ongebruikelijk en verwerpelijk: samenspannen met - in dit geval - Bramati, een keurige deal sluiten om de loper voor zichzelf uit te rollen en de deur voor de neus van Groenendaal dichtklappen. Tegenover de pers kwam er geen overtogen woord over de lippen van het slachtoffer, maar voor het front van zijn supporters spuwde hij schuimbekkend zijn gal op de 'verrader'.

Mede door twee valpartijen en één lekke band bij Van der Poel, maar bovenal fladderend op de vleugels van een superdag, had Groenendaal als weerwoord geen enkel trucje nodig om zijn rivaal en collega van het lijf te houden. Toen hem gevraagd werd of hij zich nu gerevancheerd had voor de smadelijke nederlaag in zijn achtertuin, hield Groenendaal zich keurig van de domme. Hij had goed opgelet op de mediatraining en antwoordde beleefd: “Ik zie het niet als wraak, nee, het is een bevestiging van mijn kwaliteiten. Ik ben dit seizoen gewoon de beste Nederlander. Op de UCI-ranking sta ik op de eerste plaats.” Einde verhaal, als het aan Richard Groenendaal ligt. Thuis tegen vader Reinier, die zijn hele wielerleven tegen die etter van een Stamsnijder moest opboksen en meestal het loodje moest leggen, zal hij nog een weekje hebben zitten mokken, maar voor de buitenwereld hoefde er in het geheel geen strijdbijl begraven te worden.

Inwendig glom Groenendaal van trots dat hij op grootse wijze eindelijk een grote wedstrijd had gewonnen, voorzover een loodzwaar Nederlands kampioenschap met slechts 24 vertrekkers en onderlinge verschillen als lichtjaren die kwalificatie verdient. Voor een talent van zijn kaliber was er de laatste weken wat al te veel berusting in zijn stem geslopen. “Het is moeilijk om te winnen, er zijn heel veel goede renners, de top is verschrikkelijk breed”, het zijn de gelikte cliché's van een alles steriliserende mediatraining.

Groenendaal is nog maar 24, een leeftijd waarop veel gereputeerde crossers niet eens aan winnen of het beklimmen van erepodia toekwamen. Maar de Groenendaal van hetzelfde bouwjaar 1971 draait al zolang mee in de top dat iedereen in het crosswereldje trappelt van ongeduld; de renner in kwestie niet in de laatste plaats. Het is mooi om te zeggen dat je deze winter nog maar twee keer in pakweg 25 crosses niet bij de eerste vijf eindigde en bij alle nationale kampioenschappen die je hebt verreden slechts drie keer niet het Wilhelmus voor je hoorde spelen, maar daarvoor investeer je niet in je toekomst. Acht gouden medailles (één bij de nieuwelingen, twee bij de junioren, drie bij de amateurs en nu twee bij de profs) dragen niet bij tot de legendevorming. Het gaat om iets triviaals als de wereldtitel; gelet op de praktijk van de afgelopen jaren een haast onbereikbaar ideaal zolang dat evenement niet in eigen land wordt gehouden.

Daarover mag Groenendaal zich van zijn mediatrainers wel kwaad maken. Dat hem op 4 februari in Montreuil een parcours wacht dat helemaal voor de Fransen is gemaakt, zoals de Zwitser Runkel vorig jaar in Eschenbach een maatpak kreeg aangemeten en de Belg Herijgers in 1994 te Koksijde geen oneffenheidje op het zandpad aantrof. Een echte klaagzang is het trouwens niet. “Het waren WK-waardige parcoursen. Daarop is over het algemeen weinig aan te merken. Het gaat altijd om een bochtje hier en een paaltje daar. Maar op die kleine dingen kun je een wedstrijd winnen of verliezen.” In 1999 of 2000 hoopt de KNWU het WK veldrijden te organiseren. Sint-Michielsgestel heeft zich reeds kandidaat gesteld. Groenendaal hoopt dat het organisatiecomité beter naar zijn renners luistert dan in 1991, toen Gieten de mondiale titelstrijd mocht inrichten. “Toen gebeurde het tegenovergestelde.”

Om het toeval zoveel mogelijk uit te bannen, bivakkeert Groenendaal sinds gisteravond op Mallorca om de kneepjes van Montreuil onder de knie te krijgen. Het mes snijdt voor hem aan twee kanten: het weer is er - waarschijnlijk - goed en hij wordt een week lang met rust gelaten. Want mediatrainingen bij commerciële ploegen voorzien weer niet in het weren van journalisten. De Nederlandse WK-ploeg wordt gedragen door Groenendaal, Van der Poel en in mindere mate De Vos, die zich gisteren vanuit een 'kansloze' derde positie nog knap naar de tweede plaats knokte. Nummer vier, Erik Boezewinkel, een talent waarvan bondscoach Van Dijk al een tijdlang hoog opgeeft, moest liefst zeven minuten op Groenendaal toegeven. De vijfde WK-ganger wordt zondag na de wereldbekerwedstrijd in Pontchâteau bekend. Er zijn nog twee kandidaten: Gerritsen en Scheffer. Twee andere gegadigden (Kuyper en Van Bakel) moesten eerder al wegens blessures afhaken. Van Dijk erkent dat het niveau in de breedte zorgwekkend is. “Er steken drie boven de rest uit, en dan heb je een middengroep van één, Boezewinkel.”

Flitsend

Groenendaal maakt, net als Van der Poel, sinds 1 januari deel uit van de Rabobankformatie van Jan Raas. De nieuwe ploeg kende een flitsende start in het nog prille jaar. Groenendaal tekende gisteren alweer voor de vijfde overwinning. Van der Poel (2) en de Australiërs McEwan en Vogels, die in hun land elk een wegkoers wonnen, gingen hem voor. De Nederlandse kampioen ziet het contract bij Raas als een vorm van erkenning - het gebrek daaraan frustreerde hem in het verleden nogal - al beseft hij dat hij er geen cross meer om zal winnen. “Hij wordt er zeker geen betere renner door,” tempert ook Raas al te optimistische verwachtingen. Groenendaal wordt in zijn nieuwe omgeving meer dan crosser alleen. Hij gaat ook een beperkt wegprogramma rijden; zogeheten semiklassiekers en kleine rondes. Bondscoach Van Dijk vindt dat op zich een goede voorbereiding op het cross-seizoen - beter in ieder geval dan ATB-fietsen op wedstrijdniveau - maar vreest dat 'zijn' pupil “te hooi en te gras als laatste man wordt opgeroepen voor allerlei koersen”. Volgens Raas is daarvan (nog) geen sprake. “Vooropgesteld, Richard is een hele goede wegrenner. Misschien kunnen wij als zodanig heel veel aan hem hebben, maar hij heeft voor het crossen gekozen. Na het WK neemt hij eerst een maand rust en kiest dan in overleg met assistent-ploegleider Adri van Houwelingen een programma voor de weg uit.”

mailIcon print |