*

 
dossier

Archief

De fiscus en de pensioenopbouw (2)

WILFRIED VAN DER BLES; LEX OOMKES − 28/03/98, 00:00

DEN HAAG - De behandeling door de fiscus van de opbouw van een oudedagsvoorziening is zo'n onderwerp dat in geval van paars 2 zo tot regelgeving kan worden gepromoveerd. De politieke partijen zijn het er min of meer Kamerbreed over eens, dat de opbouw van een pensioen in een nieuw belastingstelsel tot een redelijke hoogte belastingvrij moet kunnen plaatsvinden.

Die redelijke hoogte is ook voor vrijwel iedereen duidelijk: 70 procent van het laatstverdiende loon wordt gezien als een oudedagsvoorziening waarmee iemand redelijk zeker van zijn levensavond kan genieten. In een nieuw belastingstelsel zal dus, zo het er komt, elk bedrag wat daarvoor opzij wordt gezet, of het nu gaat om een collectieve regeling of om individuele regelingen als lijfrentes of andere beleggingen, niet worden belast zo lang het niet uitkomt boven die 70 procent. Bovendien voelt de politiek er voor als uitzondering op die regel ook beleggingen die boven die 70 procent uitgaan tot rond 100 procent onbelast te laten, als die besparingen zijn bedoeld voor bijvoorbeeld vervroegde pensionering.

In het huidige stelsel is de zaak ingewikkelder. Collectief afgesproken pensioenen worden sowieso belastingvrij opgebouwd, maar voor aanvullingen geldt een woud van regels. Zo zijn lijfrentes (in drie tranches) bij storting aftrekbaar. Anderssoortige beleggingen gelden, of ze voor een oudedagsvoorziening bedoeld zijn of niet, als beleggingen waarover vermogensbelasting moet worden betaald en (voorzover iemand boven de vrijstellingen uitkomt) inkomstenbelasting.

Over pensioenpremies wordt geen belasting geheven. Dat heeft de grondslag van de belastingen danig uitgehold. De beheersbaarheid van het een en ander is, mét de oplopende kosten voor de snelle vergrijzing, aanleiding ook de pensioenen te heroverwegen in een nieuw fiscaal stelsel.

Het grondidee in de voorstellen van de bewindslieden Zalm en Vermeend van financiën, is de vorming van afdelingen in het stelsel (zelf spreken ze van boxen) met daartussen waterdichte schotten. De, zoals ze dat noemen, oudedagsparaplu wordt tot zo'n afdeling gepromoveerd. Dat betekent bijvoorbeeld dat de nieuwe vermogensrendementsbelasting niet zal worden toegepast op besparingen voor pensioenen. Er zit immers een waterdicht schot tussen vermogen en pensioenvermogen (als dat dan maar wel onder het maximum van 70 procent van het laatstverdiende loon blijft).

Deze ideeën konden tot voor kort vrijwel ieders goedkeuring wegdragen. Tot secretaris-generaal Van Wijnbergen van Economische Zaken in januari een steen in de vijver wierp. In zijn nieuwjaarsartikel in het economenblad Economisch-statistische berichten bepleitte hij het schrappen van de 'omkeerregel.' Die houdt in dat geld dat wordt gebruikt voor de opbouw van pensioenen niet wordt belast, de belasting op dat deel van het inkomen wordt als het ware uitgesteld tot het pensioen wordt uitbetaald.

Afschaffing van de regel zou de grondslag voor de loon- en inkomstenbelasting in één klap met 33 miljard doen toenemen en tengevolge daarvan de belastinginkomsten per jaar met 15 miljard. Een aantrekkelijk idee, waar ook premier Lubbers in de door financiële nood beheerste jaren '80 wel eens aan dacht. Het financieringstekort en de staatsschuld zouden jaar op jaar spectaculair dalen. En er zit een, wat verscholen, bijkomend voordeeltje aan. Door afschaffing van de omkeerregel zouden immmers pensioenpremies als gewoon bestanddeel van het loon worden behandeld. Dat betekent tevens dat er belasting kan worden geheven over de beleggingen van pensioenfondsen. Voor een om centen verlegen overheid is dat wel een héél aantrekkelijk idee.

Uit berekeningen van het Centraal planbureau blijkt dat afschaffing van de omkeerregel ook op langere termijn profijtelijk is. Het vroeger innen van belasting en een belasting op de beleggingen van pensioenfondsen zal per saldo zeker tot het jaar 2035 meer opleveren dan het verlies van belastinginkomsten als de pensioenen tot uitkering komen.

Toch voelt de politiek er niet voor. De belastinginkomsten naar voren halen klinkt leuk, maar het betekent wél dat er veel minder belastinginkomsten zijn op het moment dat de vergrijzing tot de hoogste overheidsuitgaven zal leiden. Dat hoeft nog geen bezwaar te zijn, maar dat betekent wel dat al die extra overheidsinkomsten nu in fondsen à la het al bestaande AOW-fonds moeten worden gestopt. Dat vergt van opeenvolgende kabinetten een begrotingsdiscipline die de politici zich zelf niet toevertrouwen.

Daar komt bij dat het huidige netto-loon flink lager wordt. Er moet immers over de pensioenpremie belasting worden betaald. De ervaring leert dat een lager netto-loon als gevolg van overheidsmaatregelen door de vakbeweging op de werkgevers wordt afgewenteld via hogere looneisen. De groei van de werkgelegenheid zou, met andere woorden, wel eens de dupe kunnen worden van het afschaffen van de omkeerregel.

Een laatste argument is de laatste jaren actueel geworden. Steeds meer wordt via de fiscus inkomenspolitiek bedreven. Ook voor ouderen. Betalen zij geen belasting meer (een consequentie van het afschaffen van de omkeerregel) dan is dat instrument de overheid uit handen geslagen.

Een apart probleem, waar ook Zalm en Vermeend nog niet uit zijn, is het opbouwen van een pensioen in Nederland om daarvan dan aan één of andere zonnige zuidelijke kust te gaan genieten. Brasschaat (België) en de Antillen zitten vol met mensen die vanwege hun onbelaste pensioen de grens over zijn gestoken. Het betekent een enorme belastingderving voor de staat.

Afschaffen van de omkeerregel zou daarvoor soelaas bieden: er is dan immers al belasting betaald voor de emigratie. Maar de nadelen zijn de politiek zoals gezegd te groot.

Vermeend en Zalm zien drie wegen om de belastinginkomsten over betaalde pensioenen toch in Nederland te houden. Eerst willen ze dat er in de Europese Unie afspraken worden gemaakt. Alle lidstaten moeten erkennen dat op pensioenen belastingaanspraken kunnen worden gemaakt door het land waar het is opgebouwd.

Dat kan ook via belastingverdragen die met landen binnen en buiten de EU zijn afgesloten. Vermeend en Zalm melden dat dat jaren onderhandelingen kan kosten, maar dat dat niet onmogelijk is.

De derde mogelijkheid is spectaculairder. Zalm en Vermeend krijgen steun van de Kamer voor hun idee om te gaan werken met een voorwaardelijke aftrek: als iemand naar het buitenland vertrekt, wordt de aftrek ingetrokken en dient alsnog het volledige bedrag aan belasting worden betaald, dat had moeten worden betaald als de premies niet belastingvrij zouden zijn geweest. Dat betekent ook dat iemand van die voorwaardelijke aftrek kan afzien en ervoor kiezen om bij de opbouw van het pensioen belasting te betalen. Vermeend en Zalm willen hierover snel overleggen met Brussel.

mailIcon print |