Het mechanisme is bekend. Jarenlang doen zich in een land massale moordpartijen voor. Zolang de berichtgeving beperkt blijft tot een paar regels op een binnenpagina, gebeurt er niets. Zodra echter op de televisie beelden verschijnen van massale slachtpartijen komen onze politici in beweging. Zij menen dat de beelden vergezeld moeten gaan van hun geruststellende verzekering aan het publiek dat er 'iets aan gedaan zal worden'.
Algerije. Sinds 1992 woedt daar een bittere strijd tussen de regering en moslimfundamentalisten. Deze brak uit toen door een staatsgreep de partij van de fundamentalisten van een zekere verkiezingsoverwinning werd beroofd. Het westen keurde die staatsgreep goed. Het verhinderen van een nieuw fundamentalistisch regime genoot de voorkeur boven het respecteren van de verkiezingsuitslag. Bovendien bezit Algerije een smakelijke aardgasvoorraad, die men liever niet in handen van een anti-westers regime zag.
De fundamentalisten voerden hun strijd tegen het regime met de middelen van de klassieke terreur. Door burgers op grote schaal te vermoorden hopen zij hen in een staat van permanente angst te brengen die ertoe moet leiden dat zij bescherming zoeken bij de fundamentalisten en hun steun aan de regering opzeggen. De regering antwoordt met alle middelen uit het receptenboek van de anti-terreur: keiharde repressie, bewapening van loyale burgers en het eigenhandig vermoorden van burgers om deze misdaden in de schoenen van de fundamentalisten te schuiven en zo hun populariteit te ondermijnen.
De Europese Unie is verdeeld als altijd. Frankrijk, als de oude koloniale macht, bepleit de grootst mogelijke terughoudendheid. Duitsland houdt vast aan de lijn dat de regering tegen de fundamentalistische terroristen gesteund moet worden. Andere landen, zoals Engeland dat meer aandacht aan de mensenrechten in het buitenlands beleid wil geven, zijn vooral geschokt door de aanblik van de slachtingen zelf en neigen ertoe ook de Algerijnse regering in de beklaagdenbank te zetten. De Europese partners weten dus niet wat zij willen. En als zij het daarover al eens zouden zijn, beschikken zij niet over de flauwste notie welk beleid gevoerd zou moeten worden om aan de slachtingen een eind te maken. Geen land is bovendien bereid op grote schaal troepen te sturen, om de Algerijnse regering in haar strijd te helpen of om als een gewapende scheidsrechter tussen de strijdende partijen in te gaan staan. Bij gebrek aan overeenstemming deden de Europese partners dus heel lang niets, totdat de recente televisiebeelden van de gruwelijke moordpartijen wel tot enige activiteit dwongen. In zo'n situatie is de enige mogelijkheid het zenden van een onderzoeksmissie. De suggestie van activiteit wordt gewekt terwijl in feite niets gedaan wordt. Want wat zou zo'n missie in enkele dagen boven tafel kunnen krijgen wat we al niet eerder wisten? De EU begon vervolgens ook nog met een kapitale blunder door aan te kondigen enkele ondergeschikte ambtenaren te zullen sturen. Vanzelfsprekend weigerde de Algerijnse regering deze missie toe te laten en de EU erkende haar beledigende fout door onmiddellijk een missie van ministerieel niveau te zenden. 'We willen horen wat wij zouden kunnen doen om te helpen. Zelf weten we dat niet', aldus onze minister Van Mierlo. De kloof tussen Europese dadendrang en Europese hulpeloosheid kan niet beter gekarakteriseerd worden. Wat de Algerijnse regering echt wil, onvoorwaardelijke en volledige steun in haar strijd tegen de fundamentalisten, zullen de Europese partners weigeren. Het moorden gaat voort en de EU brengt haar verontrusting tot uiting. Een hele opluchting.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.