*

 
dossier

Archief

WEG UIT ALBANIE IS EEN LOT UIT DE LOTERIJ

JAN BEZEMER − 08/02/97, 00:00

Het piramidespel heeft Albanië nog verder weggedrukt in de ellende die het land teistert. Iedereen wil naar het buitenland. Het wrange is dat zij nu wel weg mogen, maar niet weg kunnen. Deze maand hebben de Albanezen al hun hoop gevestigd op een nieuwe loterij: deze keer niet om geld, maar om 'Green cards', verblijfsvergunningen voor de Verenigde Staten.

Drie jaar geleden heeft hij met vijftig Albanese toeristen de bus naar Oostenrijk genomen, op een tijdelijk toeristenvisum. Eenmaal in Innsbrück hebben de meeste Albanezen de bus verlaten om vervolgens onder te duiken. Slechts drie reizigers keerden na tien dagen met de bus terug.

Een half jaar lang lukte het hem om in Oostenrijk te blijven en te werken in een fabriek. In die tijd heeft hij ook een beetje Duits geleerd. Maar uiteindelijk is hij toch gepakt en teruggestuurd. Nu zit hij zich dagelijks te verbijten op een terras aan het meer, dat dienst doet als visafslag. Twee andere vissers, jongens eigenlijk, lopen met een prachtige snoekbaars van zo'n acht kilo van handelaar naar handelaar. Ze willen de vangst van hun leven in klinkende munt omslaan. Ze moeten hun hoge verwachtingen vele malen bijstellen, maar uiteindelijk steken ze toch ieder 24 dollar in hun achterzak.

Bennie deelt nauwelijks in de vrolijkheid, die onder de vissers is ontstaan over het geluk van twee jonge collega's. De vele glazen cognac waaraan hij direct na het vissen, om negen uur 's morgens, begint, kunnen hem nauwelijks troosten. Zijn bestaan hier in zijn geboortedorp is een kwelling geworden. Hij onderhoudt zijn boot niet. Hij hoopt het kale houten ding toch niet lang meer nodig te hebben. Hij moest er, eenmaal terug in Lin, nog 1 000 dollar voor betalen, inclusief buitenboordmotor. Zijn broer, die in Duitsland werkt, leende hem het geld. Hij spaart, maar dat gaat langzaam. Vandaag heeft hij zelfs helemaal niets verdiend. Er is nog bij lange na niet genoeg geld om een visum en een reis te bekostigen. Bovendien moet hij een garantie kopen. Een vervalste brief van een verzonnen persoon in Europa, die garant voor hem wil staan. Voor zoiets vragen bemiddelaars ook nog eens honderden dollars.

De vis wordt goed betaald. Een kilo vis levert hier al gauw zes dollar op, veel geld voor Albanese begrippen. Een bouwvakker komt vaak niet verder dan vijf dollar voor een dag hard werken. De zoetwatervis, forel en baars, is van uitzonderlijke kwaliteit en de dure hotels in Tirana zijn vaste afnemer. Er valt nog meer te verdienen als de vis over het meer naar Macedonië wordt gesmokkeld. Daar betalen de toeristenhotels gemakkelijk acht dollar per kilo. Er zijn enkele handelaren, die er zich dan ook op toeleggen 's nachts, als het meer geregeld in een dikke mist is gehuld, stilletjes naar de overzijde te varen.

Dorpen en steden in Albanië zien er vrijwel nooit romantisch uit en zijn zelden pittoresk. Wie lelijkheid wil fotograferen, kan er zijn hart ophalen. Het dorpje Lin is een uitzondering. Het ligt prachtig in een baai tegen de rotsen aan. De honderd witgekalkte, kleine vissershuisjes zijn gevangen in het groen van de vele druivenstokken, die ook smalle straatjes overwoekeren en het felle licht temperen. Als wij zeggen dat Bennie toch in een prachtig dorp aan een prachtig meer woont, kijkt hij ons niet-begrijpend, bijna boos aan. Wat weten wij daarvan? Moet hij hier zijn leven lang blijven vissen, een vrouw zoeken, kinderen opvoeden? Er is hier niets, helemaal niets dat hem vrolijk maakt. Hij haat het land dat hem zulke slechte kansen biedt en hij gelooft niet dat het snel beter wordt en dus gaat hij het weer proberen, hoe dan ook. Net als veel, heel veel Albanezen wil Bennie weg. Amerika is bij de meesten favoriet, maar Bennie tekent graag voor Europa.

Het is voor velen een obsessie: weg uit Albanië. Weg uit dit verdoemde oord. Vijfenveertig jaar heeft de communistische dictator Hoxha het land volkomen geïsoleerd van de wereld, arm en achterlijk gehouden. Toen de dictatoriale communisten definitief werden verdreven, heeft de woedende bevolking alles kort en klein geslagen, fabrieken verwoest, kassencomplexen gesloopt, olijfboomgaarden omgehakt. Er was niets meer over. In de vijf jaar na de 'bevrijding' is alleen maar een grotere chaos ontstaan. De overgang naar het kapitalisme slaagt maar moeizaam en de droom die veel Albanezen na de ommezwaai hadden: snel rijk worden, bleek absurd en is maar voor een enkeling uitgekomen.

Vijf jaar economische vrijheid heeft slechts veel onderlinge dienstverlening opgeleverd. Elk stukje groen in stadsparken is naar believen en in grote chaos volgezet met stalletjes en paviljoentjes. De uitbaters verkopen hamburgers, kebab of pizza's. Op straat staan veel mannen en vrouwen die enkele trossen bananen of sigaretten verkopen, hun waren uitgestald op kartonnen dozen. De gevels in de straten hangen vol met kleren, glimmende trainingspakken, nylon blouses en trivera truitjes. De concurrentie is moordend - de opbrengst vaak te weinig om van te leven.

Albanië is een land met vele mogelijkheden. Naar de maatstaven van ontwikkelingslanden is de bevolking redelijk opgeleid en jong. De gemiddelde leeftijd is 25 jaar. Het is iets groter dan Nederland en met 3,5 miljoen meest jonge inwoners dun bevolkt, rijk aan grondstoffen en zeer geschikt voor landbouw. De bergen in het noorden en oosten zijn prachtig en de stranden aan de Adriatische kust kunnen qua schoonheid concurreren met die van alle omringende landen, Kroatië, Griekenland en Italië.

Maar in vijf jaar is nog geen begin gemaakt met de verbetering van de infrastructuur. De wegen laten door de vele kuilen en gaten hooguit een snelheid van 20 kilometer per uur toe. In de bergen is in de winter vrijwel geen verkeer mogelijk. Er is hoegenaamd geen industrie. De recentelijk in brand gestoken raffinaderij in Ballsh was niet veel meer waard dan de schrootprijs en de vele jaknikkers uit de omgeving hebben wel veel olie opgepompt, maar heel veel daarvan over de heuvels laten stromen, naar een prachtig meanderende, maar inmiddels duistere en stinkende rivier. Het milieu is op veel plaatsen grondig verpest.

Buitenlandse investeerders laten het nog afweten, deels omdat, zoals de Wereldbank het uitdrukt, 'de instituten zwak zijn'. Er heerst rechteloosheid. Wie een stuk grond of een pand koopt, kan geconfronteerd worden met een stroom eigenaren die eigendomsrechten komen claimen, soms van voor de communistische tijd. De Oostenrijkse hotelketen die in Tirana het nieuwe Hotel Europa-park mocht bouwen, heeft nadien vele honderden kleine eigenaren schadeloos moeten stellen. Een van de weinige Italiaanse firma's die in Albanië een agrarische fabriek probeerden op te zetten, is weer weg. Afgeschrikt door vele claims van vorige grondeigenaren.

VERVOLG OP PAGINA 2

WEG UIT ALBANIE VERVOLG VAN PAGINA 1

De Stichting Nederlandse Vrijwilligers helpt Albanië met kleine projecten, bijvoorbeeld om toerisme op gang te brengen. In de bergen in het noorden is een wandelroute uitgezet voor trektochten. Op de route zijn met ontwikkelingsgeld huizen opgeknapt, waar overnacht kan worden. De plaatselijke bevolking is opgeleid in 'gastvrijheid'. “We moesten de mensen vooral leren terughoudend te zijn. De gasten op zijn tijd met rust te laten”, zegt SNV-directeur Hendrik van der Pol. “Ze hadden de neiging in hun enthousiasme de mensen te overvoeren met gastvrijheid.” De eerste folders zijn net de deur uit. Er worden deze zomer zo'n vijfhonderd trekkers verwacht.

De Albanezen zelf hebben grote verwachtingen van het toerisme en het land heeft in potentie veel te bieden. Alleen zijn hotels te duur, de stranden vrijwel onbereikbaar en ontbreekt elke voorziening. De minister van toerisme gebruikt graag modewoorden als ecotoerisme, terwijl de stranden die nog wel bereikbaar zijn, vol liggen met afval.

De agrarische sector komt als eerste een beetje op orde. Er zijn er die dat voorzichtig de motor van de Albanese economie beginnen te noemen. Na de verwoesting van de staatsboerderijen en alles wat daarbij hoorde, zoals de irrigatiesystemen, hebben de mensen zelf onderling de grond verdeeld en worden er weer voldoende landbouwproducten geproduceerd. Maar nieuwe producten komen niet aan bod. Van export is geen sprake.

De belangrijkste bron van inkomsten zijn de half miljoen familieleden in het buitenland. De honderden miljoenen die gastarbeiders vanuit Griekenland of Italië of elders in de wereld naar huis sturen, is op dit moment de basis van de economie. Het geld werd aanvankelijk geïnvesteerd in de straathandel en de stalletjes, maar ging vooral vorig jaar naar de berucht geworden piramides, de windhandel in spaarcenten. De Albanezen willen nog altijd blijven geloven dat het toch mogelijk is om snel rijk te worden. Het is niet zozeer domheid, maar een totaal gebrek aan ervaring met kapitalistische uitwassen, die de bevolking hier de das omdoet.

Opgegroeid in een irreële communistische traditie zonder tv, zonder buitenland, hebben de Albanezen steeds verwarde ideeën gehad over het kapitalisme. Ze hebben het idee dat iedereen in westerse landen rijk is en dat Albanezen dus ook allemaal als vanzelf rijk zullen zijn als het land eenmaal tot het westen gaat behoren. De beelden van rijkdom komen van de Italiaanse tv: Rai Uno en Rai Due. Zenders die trillend en besneeuwd in grote delen van het land te zien zijn. Inmiddels neemt het perspectief op de wereld fors toe door de vele schotelantennes die de ruw gemetselde en ongestucte flats sieren.

Het zou overdreven zijn om Hotel Dajti vergane glorie te noemen. Het betonkleurige staatshotel in het centrum van Tirana is nooit mooi geweest. Maar nu is alles kleurloos, versleten, stoffig. Buiten, waar de zon schijnt, is het aangenamer dan binnen, omdat de vrieskou ook overdag blijft hangen. Iedereen houdt dus zijn jas aan. De oude advocaat Giulini, van het Newyorkse advocatenkantoor Giulini en Giulini, draagt een wat ouderwetse tweedjas, zijn jeugdige maar stevig gebouwde handlangers hebben veel modernere lange zwarte jassen aan, van Italiaanse snit. Ze zitten te kaarten in een bijzaaltje van het hotel, met op tafel stapels bankbiljetten, slordige heuveltjes van geld eigenlijk.

Giulini is een hork van een vent, die er niet op zit te wachten dat journalisten lastige vragen stellen. Hij antwoordt kort met 'Yes, sir', 'No, sir' en laat zich verder niet storen bij het kaartspel. Hij is deze maand uit New York overgevlogen om hier Albanezen de weg te wijzen naar Amerika. Hij helpt bij het invullen van een visumaanvraag en belooft het formulier, mét pasfoto, zelf mee terug te nemen naar Amerika en bij de immigratiedienst in de bus te doen. De prijs voor zijn advies is 35 dollar, een half maandsalaris in Albanië. Er zijn nog weinig klanten, maar zijn bureautje is ook pas een dag open.

Overal in Albanië zijn deze kantoortjes verschenen, omdat er deze maand, februari, een grote loterij is, waarbij een paar duizend 'Green cards' zijn te winnen, verblijfsvergunningen voor de VS. De straten hangen vol met affiches, waarop de Albanezen worden opgeroepen een poging te wagen, legaal naar Amerika te emigreren. De koorts slaat snel om zich heen. In elke kiosk zijn voor 200 lek (dertig cent) een formulier en een enveloppe te koop. De formulieren worden zelfs temidden van de sigaretten en bananen op kartonnen dozen te koop aangeboden.

Op de affiches wordt gewaarschuwd niet te veel geld te betalen voor bemiddeling. 'U kunt het gemakkelijk zelf', staat er te lezen. De bemiddelaars wijzen echter allemaal op de kleine lettertjes, die waarschuwen dat alles volgens de regels moet zijn ingevuld en in de juiste enveloppen verstuurd. Terezi Kosta is een advocaat met een kantoortje in een kelder. Hij werkt voor de Prestige Group International, gevestigd in Florida, en vraagt 15 dollar voor bemiddeling. Zijn keldertje loopt geregeld aardig vol. Hij toont een brief waarin staat dat jaarlijks ongeveer een miljoen aanvragen uit de hele wereld worden afgewezen, omdat de aanvraag niet geheel volgens de regels is ingevuld. Bovendien moet je nog maar afwachten of de posterijen de aanvraag daadwerkelijk op het juiste adres afleveren, zo waarschuwt hij: “Ik stop ze persoonlijk in de bus. Absolutely garanteed, verzekert hij. De aanvragers die bij hem binnenwandelen, zijn een beetje bang gemaakt en nemen ook liever het zekere voor het onzekere en betalen de dollars. Naam, adres, leeftijd? Veel meer is het niet. De pasfoto wordt met een plakbandje aan het formulier gehecht. Het is voor de klanten te hopen dat dat volgens de regels is.

De straathandelaren die de formulieren voor drie dubbeltjes verkopen, hebben er zelf ook allemaal één ingevuld. Soms zelfs twee. “Wat moet ik meneer?”, zegt een goedlachse man van 40 achter zijn doos. “Ik heb een gezin en geen werk. Ik zou graag in Albanië blijven, maar dit land heeft mij niets te bieden.” Uiteindelijk zullen zo'n zesduizend Albanezen de kans krijgen naar Amerika te gaan. Als in een echte loterij praten zij over 'winnen', 'een visum winnen'. Honderdduizenden zullen deze maand (3 maart sluit de loterij) een gokje wagen.

De verliezers zullen blijven zoeken naar wegen om naar het buitenland te kunnen. Over land naar Griekenland is gemakkelijk. Naar Corfu kun je bijna zwemmen. Maar lang duurt deze emigratie vaak niet. Albanezen zijn niet geliefd in Griekenland. De Griekse politie heeft in de afgelopen 5 jaar ruim een miljoen Albanezen opgepakt en teruggestuurd. Na Griekenland is Italië de grote magneet. De meeste Albanezen spreken een woordje Italiaans, opgepikt uit de dagelijkse consumptie van Italiaanse tekenfilms op tv. Afhankelijk van de boot is het enkele uren varen over de Adriatische zee, met aan beide zijden verlaten stranden.

Vlora is de meest Italiaanse stad van Albanië. Op de stranden liggen vele speedboten, die niet bestemd zijn voor waterskiën. Aan de kusten verschijnen steeds meer barretjes, met kamertjes op het dak die niet voor de toeristen zijn. Er hangen Italiaanse mannen rond, die niet op vakantie zijn en handige Albanese jongens die bemiddelen. Een trip kost enkele honderden dollars. Er gaan volgens mensen die het kunnen weten, soms honderd illegale immigranten per nacht de zee over. In het donker. Het moelijkst is de Italiaanse kust, omdat de Italiaanse kustwacht iets beter oplet dan de zeer corrupte en makkelijk omkoopbare Albanese douane. De overheid in Albanië stimuleert de emigratie zelfs, omdat die zo lucratief is voor de economie van het land. De Italiaanse regering klaagt steen en been. Laatst nog verklaarde premier Dini dat Italië graag bereid is Albanië te helpen in de financiële crisis rond de spaarcenten. “Op voorwaarde”, zo stelde Dini beslist, “dat Albanië nu eindelijk eens een einde maakt aan de illegale immigratie van Albanezen naar Italië.”

Onder dictator Hoxha was Albanië gesloten als een concentratiekamp. Op de kusten en langs de grenzen staan nog steeds zo'n 750 000 betonnen koepeltjes, die toen als eenmansbunkers zijn geplant, als een invasie van betonnen marsmannetjes. Hoxha was paranoïde en verwachtte de vijand van alle zijden. Maar als een vluchteling de zee probeerde op te gaan, werd hij zonder pardon vanuit de koepeltjes neergeschoten. Wie erdoor kwam, werd door de wereld met open armen ontvangen. Nu zijn de zaken volstrekt omgekeerd. De grenzen zijn open. Iedereen is vrij om te gaan, graag zelfs. Alleen is de buitenwereld vijandig. Er is bijna geen plek meer waar een Albanees legaal zijn geluk kan zoeken. Tenzij hij een loterij wint.

mailIcon print |