*

 
dossier

Archief

ZONDER POTTENKIJKERS

DOOR GERRIT KROL − 12/09/98, 00:00

In de opening van zijn stuk 'De giftige bron' signaleert Andreas Kinneging een opmerkelijk verschijnsel: de verdwijning van onze deugden en ondeugden. Niemand meer, schrijft hij, heeft het in discussies nog over eigenschappen als bezonnenheid, rechtschapenheid, moed, enz. Om van deugden als kuisheid, trouw en nederigheid maar te zwijgen. Ook ondeugden schijnen wij niet meer te kennen. Wie spreekt er nog over wellust, gulzigheid en toorn? Hij geeft van deze ondeugden een volledige lijst ('de zeven hoofdzonden'), welke niet moeten worden verward met strafbare feiten, aangezien een ondeugd geen feit is, maar een slechte gewoonte die een mens heeft aangenomen. Zo is ook een deugd niet: een goede daad of een goed karakter, maar: een goede gewoonte. Deugden en ondeugden constitueren de morele structuur van een mens.

Het stuk gaat over het kwaad en de auteur behandelt dan ook alleen de ondeugden. Er zijn er, in christelijk-humanistische trant, dus welgeteld zeven: hoogmoed, hebzucht, wellust, toorn, gulzigheid, afgunst en traagheid. Alle andere ondeugden, zoals onbetrouwbaarheid, wreedheid, zijn 'dochters' van de hoofdondeugden, die als het ware de componenten leveren. Zo zijn we vaak onbetrouwbaar en dat kan zijn oorzaak hebben in elk der zeven hoofdzonden.

De conclusie van het betoog is een vraag, of liever een drietal vragen: 'Is het denken over goed en kwaad in deze traditionele termen zinnig? Is het wellicht de zinnigste benadering waarover we beschik-ken? Verliezen we niet een essentieel inzicht in de aard en het wezen van het menselijk bestaan, als we deze benadering zouden verwerpen of domweg zouden vergeten?

Ik denk dat we aan inzicht winnen, als we in de eendimensionale lijst van hoofdzonden enig onderscheid aanbrengen. Wellust en gulzigheid bijvoorbeeld lijken op elkaar, maar ze lijken in het geheel niet op afgunst of traagheid; die twee laatste zijn van een geheel andere orde. De eerste twee zijn gekenmerkt door lust (+), de laatste twee door onlust (-). De eerste twee zijn zichtbaar voor anderen (+), de laatste twee doorgaans niet (-). Ik zou dan het lijstje op de volgende manier willen structureren:

hoogmoed

hebzucht

wellust

toorn

gulzigheid

afgunst

traagheid

En we kunnen ons de vraag stellen of niet de lust van de een veroordeeld wordt door de ander omdat die er zijn onlust aan beleeft. Of de vraag wat sterker is: iemands lust of zijn onlust. Ik citeer, ter overweging, hier de Eerste Wet van de Hedonische Asymmetrie, uit 'De emoties', van Nico Frijda, die zegt dat lust voortkomt uit verandering en verdwijnt bij blijvende bevrediging, terwijl onlust aanhoudt bij het voortdurend uitblijven van bevrediging. Dit is overigens niet altijd waar, schrijft Frijda. Er kan veel genoegen beleefd worden aan dingen die nooit gemist werden. Zelfs verlies kan een stil bestaan leiden, en alleen hoorbaar worden bij de confrontatie met iets wat herinnert aan een onvervulde droom. We kunnen, aldus nog steeds Frijda, dus een Tweede Wet van de Hedonische Asymmetrie formuleren, namelijk de Wet van het Overwicht van Lust: de onlust over het uitblijven van bevrediging is meestal minder dan de lust van de bevrediging. Gelukkig neigen de twee wetmatigheden naar een evenwicht.

Als dit waar is, verklaart het misschien de verdwijning van woorden als wellust, gulzigheid, hebzucht en hoogmoed uit het hedendaagse Nederlands: de moraal de jure heeft plaats gemaakt voor de moraal de facto. De lust wint het gewoon van de onlust, oftewel: een extraverte, openlijke ondeugd wint het van een introverte, verborgen ondeugd. Een paar voorbeelden.

Hoogmoed. 'In essentie', schrijft Kinneging, 'een zelfoverschatting, een onrealistisch gevoel dat men het wel kan.' Zo laat de grafiek van auto-ongelukken een opvallende piek zien voor jongelui die net hun rijbewijs gehaald hebben: vol zelfvertrouwen, maar zonder ervaring, geen idee hoe ver ze kunnen gaan. Maar elke keer als een waagstuk lukt, wordt hun roekeloosheid een tikje opgeschroefd. En hun zelfvertrouwen versterkt. Er is geen moraal dan die der feiten. De verstandigen zullen elk rijavontuur achteraf aan een beschouwing onderwerpen: daar en daar had het mis kunnen gaan. De onverstandigen doen dat niet en die gaan eraan.

Hebzucht. Er zijn zolang je leeft dingen die je wilt hebben en als je dat niet meer wilt, ben je dood. Het standaardvoorbeeld is geld. Als je genoeg geld hebt, moet je niet nog meer willen, dat is plat, vulgair. 'Vreselijk soort mensen.' Zoiets wordt makkelijk gezegd in bepaalde intellectuele kringen, waar geld niet telt. Daar gelden andere waarden, eerzucht bijvoorbeeld. Wie is de knapste van de klas. Wie krijgt in een discussie gelijk. Wie is zo edel van geest, dat hij eigenlijk geen gelijk wil hebben.

Wellust. In mijn geest hangt een spreuk, die ik vaak aanhaal: 'Er zijn maar weinig vreugden in ons leven die niet de afschuw van anderen opwekken.' Daarom is het goed wellust, deze vreugde bij uitstek, te genieten in het verborgene. Zonder pottenkijkers. Was ich nicht weiss, macht mich nicht heiss.

Toorn. Een interessante (vanwege de + en de -). Het woord toorn komt in het boek van Frijda niet voor. Wel het synoniem: woede. Op vele plaatsen. Woede wordt vaak positief beoordeeld: ze is beter dan onderdrukte woede - die voert tot wrok -, of vrees voor vergelding bij geuite woede. Woede vliegt op bij obstructie. Frijda: 'Woede impliceert hoop. Woede betekent dat het zin heeft om te vechten. Maar brengt ook nadelen met zich mee. Lukken de beoogde veranderingen niet, dan leidt dat ook nog tot de nodige vernederingen en frustraties.'

Woede verraadt vaak een onvermogen tot relativeren. Dat is iets wat je in militaire dienst aankweekt: de kunst van het incasseren. In het algemeen: dingen over je heen laten gaan. Te 'bekijken'. Een nuttige eigenschap voor wie met zijn woede niet het bedoelde effect sorteert.

Woede is de enige (on)deugd die kan uitmonden in een strafbaar feit. Bij recidive wordt het definitief een ondeugd. Zo houden de zeven hoofdzonden enige voeling met het Wetboek van Strafrecht. Gulzigheid. Anders dan wellust, vindt het gulzige genieten doorgaans plaats in gezelschap van anderen. Dat is het grote verschil tussen wellust en gulzigheid.

De afgunst. De meest universele ondeugd, merkt Kinneging terecht op. Immers, zij is de schaduwzijde van alles wat mooi en goed is in de wereld. Ze betreft zowel materiële als immateriële zaken als schoonheid, liefde en aanzien. Met de groei van het schone, het goede en het ware, groeit ook het kwaad van de afgunst. Afgunst, paradoxaal genoeg, groeit naarmate men hogere eisen aan zichzelf stelt. Algemeen: naarmate de wereld groeit in het goede, het hoge en sublieme, lijkt hij ook te groeien in het slechte, het lage en het vreselijke. En van dat vreselijke is afgunst een belangrijke component.

De traagheid. Laat afgunst de schaduwzijde van het goede zijn, in traagheid zie je de negatieve zijde, de onderkant ervan. Wie in de greep is van de traagheid, schrijft Kinneging, valt uit de volheid van het bestaan in een vacuüm. De dingen raken hem niet meer. Hij kan niet meer kwaad worden, niet meer verheugd zijn, maar ook niet meer treuren. Hij is ten prooi gevallen aan liefdeloosheid, luiheid, onverschilligheid en inertie.

Omdat traagheid zelfs het kwaad der ondeugden heeft moeten loslaten, kan ze in een bepaalde, onthechte religieuze context de verdienste van een zekere gelatenheid opgespeld krijgen. In de praktijk van het leven komt traagheid neer op: routine, op een wereld waarin elke dag gelijk is aan de vorige.

De vragen waar Kinnegings betoog mee eindigt heb ik al genoemd. Mijn antwoorden erop luiden: ja, het denken over goed en kwaad in deze christelijk-humanistische traditie is zinnig, maar ik zou er andere termen voor kiezen.

Zelf heb ik me jaren geleden eens zorgen gemaakt over het verdwijnen van de term 'eer'. Ik heb toen een poging gedaan dat woord weer ingang te doen vinden. Deze regressieve bewegingen hebben meestal geen succes. Beter is het er hedendaagse synoniemen voor zoeken. 'Aanzien' bijvoorbeeld, was een veel betere term geweest.

Ik denk dat het rijtje van hoofdzonden in tweeën moet worden geknipt: in positieve hoofdzonden en negatieve hoofdzonden. Zolang de zonden geen strafbare feiten opleveren, heeft het geen zin kruistochten te gaan ondernemen, bijvoorbeeld via de Stichting Ideële Reclame medestanders te winnen, want ach, medestanders hebben we wel. De oude hoogmoed vertalen we in roekeloosheid, voor rekening van de roekeloze. Roekeloosheid vernietigt zichzelf.

Dat geldt niet voor de hebzucht. De rijke zal gegeven worden, de arme zal ontnomen worden, ook wat hij heeft. Dit is een natuurlijk proces, dat met alle gewettigde middelen moet worden tegengegaan. Het probleem is dat zakkenvullers, of ze nu Mobutu heetten, burgemeester van een of andere kleine Limburgse gemeente waren of werkzaam zijn in het Europese Parlement - zij opereren in een soort wetteloosheid, of slagen erin de wetten naar hun hand te zetten. Het probleem is: hoe bestrijd je het kwade met het goede, als het kwade het goede niet als het goede erkent? Misschien met slimmere wetgevers.

Laat ik het lijstje even afmaken. Wellust. Noem dat seks en hou het voor je. Gulzigheid. Noem het drinken en sta jezelf toe eens per maand door te zakken. Kleine zonden houden grote buiten de deur. Zie verder: roekeloosheid.

Toorn hebben we woede genoemd, een gezonde emotie. En wat voor afgunst geldt (dat je je eisen te hoog stelt), geldt mutatis mutandis ook voor traagheid (dat je ze te laag stelt). Stel je eisen precies zo hoog dat je nu en dan een succesje boekt.

En tot slot: heb niet de illusie dat je het kwaad uit de wereld of zelfs uit je eigen hart kunt bannen. Maar ook hier geldt: tracteer jezelf nu en dan op een overwinning.

mailIcon print |