Activiteiten rond kernenergie kunnen “slechts gedijen in een broeierige sfeer van geslotenheid, ongecontroleerdheid en verheimelijking”, schreef N. M. P. Steijnen in Trouw van 23 juli. Hij reageerde op het zogenaamde transportschandaal met containers opgebrande splijtstof uit de kerncentrale Borssele. Verderop in zijn artikel had hij het over 'de structurele onbetrouwbaarheid van het kernenergie-establishment'.
Voor mensen die, zoals ik, in de kerncentrale in Borssele werken, is het onbegrijpelijk dat zulke generaliserende beschuldigingen hun weg naar de krant vinden. Het klopt gewoon niet met de dagelijkse werkelijkheid.
De kerncentrale Borssele is een fabriek waar meer dan 300 gewone mensen, Zeeuwen net als meneer Steijnen, hun boterham verdienen met de productie van elektriciteit. De werking van de centrale heeft niets geheimzinnigs, daar is genoeg over geschreven. Inspecteurs van diverse overheidsdiensten lopen er bijna dagelijks rond en bombarderen ons met inspectierapporten.
Als er soms storingen of andere bijzonderheden zijn, geeft ons bedrijf zelf persberichten uit; elk jaar krijgt de Tweede Kamer bovendien een verslag, door de Kernfysische Dienst opgesteld, van alle bijzondere gebeurtenissen die door de overheid zijn geconstateerd.
Is dat werken in een broeierige sfeer van verheimelijking? Als werknemers hebben we eerder het gevoel, in een glazen huisje te werken.
Onze branche heeft wel een pr-probleem laten ontstaan door een zekere vorm van bedrijfsblindheid. Technici die dagelijks met radioactief materiaal omgaan, hebben niet altijd goed aangevoeld hebben hoe gevoelig mensen uit de omgeving reageren op alles wat met radioactieve straling te maken heeft.
We kunnen het billijken dat de overheid op dit gebied een nog grotere openheid van zaken verlangt. Het is terecht dat er in verscheidene Europese landen nieuwe richtlijnen ontwikkeld worden voor het controleren en melden van besmettingen, en dat in afwachting daarvan de transporten zijn stilgelegd.
Maar laten we wel bedenken, dat de geconstateerde besmettingen geen enkel gevolg hebben gehad voor de gezondheid van wie dan ook. Het is de totaal verschillende beleving van risico's tussen publiek en technische specialisten, die heeft geleid tot de huidige vertrouwensbreuk tussen publiek en kernindustrie; zeker niet de verdoezeling van werkelijke gevaren.
Maar de heer Steijnen beschuldigt ons, als bedrijfstak, van kwaadwillige misleiding in samenwerking met de overheid, en dat slaat echt nergens op. Waar ging bijvoorbeeld, in de situatie van Borssele, dat zogenaamde transportschandaal over?
Laat het duidelijk zijn, er is nooit sprake geweest van lekkende splijtstofcontainers. Van de 110 containers met splijtstof die in de afgelopen 10 jaar uit Borssele naar Frankrijk werden vervoerd, is op één aan de buitenkant een besmet plekje van 24 Becquerel per cm2 aangetroffen terwijl 4 de limiet is. Dat had natuurlijk niet mogen gebeuren, technisch is het mogelijk om binnen de limiet te blijven.
Maar 24 Becquerel is nog steeds twee keer niets. Elk mensenlichaam bevat van nature al 8 000 Becquerel, zonder dat iemand daar last van heeft, om eens iets te noemen. Als we ons over dit soort stralingsbronnen medische zorgen moeten maken, kunnen we beter niet meer naast iemand in bed gaan liggen.
De normale en internationaal geaccepteerde werkwijze voor kleine besmettingen van transporten is, dat de besmetting van de container wordt afgeveegd en dat de verzender erover wordt geïnformeerd om herhaling te vermijden. Dat is in de centrale Borssele ook gedaan.
Met andere woorden, het personeel van de centrale heeft altijd zorgvuldig gehandeld. Er is nooit enige reden geweest om wat dan ook te verdoezelen; er heeft zich gewoon niets van betekenis voorgedaan.
Ik zou de heer Steijnen willen uitnodigen om gewoon eens een afspraak te maken voor een bezoekje aan onze kernenergiecentrale. Als personeelsleden laten we graag zien op wat voor manier er in onze mooie fabriek wordt gewerkt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.