*

 
dossier

Archief

Geweldfilms leiden zeker tot agressief gedrag jongeren

WOUTER BUWALDA − 10/02/98, 00:00

Begin dit jaar verschenen er berichten dat 'geweldfilms niet zouden leiden tot agressief gedrag van jongeren'. Deze berichten waren gebaseerd op recent onderzoek van de Universiteit van Birmingham. De resultaten van dit onderzoek druisen in tegen de gangbare wetenschappelijke opvatting over de invloed van geweldfilms en het recente kabinetsstandpunt hierover.

Al tientallen jaren doen wetenschappers over de gehele wereld onderzoek naar de relatie tussen het zien van geweldfilms en gewelddadig gedrag. Daarbij zijn drie onderzoekshypothesen te onderscheiden.

- De reductie-hypothese veronderstelt dat het zien van geweldfilms leidt tot vermindering van agressie bij de kijker. Deze vermindering ontstaat door ontlading van de agressie die al in de mens zit (catharsis) of doordat de kijker zich zo inleeft in het slachtoffer dat hem de lust tot het plegen van geweld vergaat (empathie). Deze theorie vindt bijna geen bevestiging in wetenschappelijk onderzoek en kent, na een hoogtepunt in de jaren '70, weinig aanhangers.

- De 'geen effect'-hypothese gaat ervan uit dat audiovisueel geweld positieve noch negatieve invloed heeft op gedrag. Deze stelling is gebaseerd op een beperkt aantal studies waarbij zich inderdaad geen agressietoename voordeed. Ook deze hypothese kent weinig aanhangers.

- De stimulatie-hypothese stelt dat het zien van geweldfilms wél kan leiden tot gewelddadig gedrag. De toename ontstaat doordat de kijker leert (en imiteert) om zich agressief te gedragen of daar ongevoeliger voor wordt. Veruit de meeste van duizenden onderzoeken naar de invloed van geweldfilms bevestigen dit. Het belangrijkst is de recente National Television Violence Study van de Universiteit van Californië, die op basis van vrijwel alle nu beschikbare wetenschappelijke kennis constateert dat tv-geweld kan leiden tot geweld, angst en ongevoeligheid.

Agressiestimulering blijkt het grootst bij films met realistisch fictief geweld ('Pulp Fiction', 'Natural Born Killers') en films met geweld voor de goede zaak ('Rambo', 'Dirty Harry'). Verder zijn jeugdigen, met name jongens, meestal gevoeliger dan ouderen. Ook blijkt als ouders meekijken en het geweld afkeuren, dat de geweldstimulerende werking vermindert.

Aanleiding voor het onderzoek van Birmingham was de beruchte moord in 1994 op de Liverpoolse peuter James Bulger. Zijn twee tienjarige moordenaars zouden immers tot hun daad zijn overgegaan door het zien van de horrorvideo 'Child's Play 3'. Om de effecten van dergelijke video's te achterhalen lieten de onderzoekers 54 delinquenten en 28 niet-delinquenten in de leeftijd van 15-21 jaar een gewelddadige video zien. Direct na het zien van de video en opnieuw na 4 en 10 maanden vroegen ze de jeugdigen om zelf aan te geven of de video hen had beïnvloed.

Er kan een aantal kritische kanttekeningen worden geplaatst bij deze methode van onderzoek. Allereerst gaat het om een vrij kleine onderzoekspopulatie van slechts 82 jeugdigen. Ten tweede is het methodologisch twijfelachtig om deze jeugdigen zélf te laten aangeven of zij worden beïnvloed door het zien van geweld. Welke proefpersoon geeft dat graag toe? Tot slot is de leeftijdssamenstelling van de populatie merkwaardig. De betrokken jeugdigen zijn niet alleen ouder dan de moordenaars van James Bulger, maar hun karakter is op latere leeftijd al zo gevormd, dat zij zich moeilijk laten beinvloeden door geweldfilms. Om deze reden beperkt de Nederlandse filmkeuring zich tot 16 jaar.

Al in 1994 onderstreepte het gezaghebbende medische tijdschrift 'The Lancet' de geweldstimulerende werking van geweldfilms. Zij dragen, naast vele andere factoren, wél bij aan het geweld in onze samenleving. Het onderzoek van de Universiteit van Birmingham is te mager om dit debat weer te heropenen.

mailIcon print |