En het geschiedde dat zij vruchtbaar waren geweest en zich hadden vermenigvuldigd zonder tal, dat de twijfel in hun harten kwam. De vloed des mensen had op de aarde de overhand zoals ooit de wateren gans zeer de overhand hadden op de aarde.
Zij hadden de velden gevuld en er hun hoven en hun haarden en hun vee gevestigd. Zij hadden de wateren tot hun velden gemaakt en ook daar hun akkers en hun hoven en hun vee gevestigd.
En het begon hen te bezwaren dat ze met zovelen waren, en zij stelden zich de vraag of hun menigvuldiging niet kon geworden tot een mindervuldiging.
En zij gewonnen zich de raad van hunne wijzen. En hun oudste wijzen lazen hen uit hun oudste kronieken hoe hun menigvuldiging zich had voltrokken. In het jaar vijftienhonderd leefde in de landen van de natte plassen een volk van slechts duizend maal duizend in getal.
In de zeven maal twintig Jaren des Gouden Voorspoeds zwol dit aan met wederom duizend maal duizend in getal. Maar in wederom zeven maal twintig jaren daarna was menigvuldiging noch mindervuldiging. En zij lazen van de waarlijk wonderbare menigvuldiging die daarop volgde.
En zo geschiedde het dat ten einde van vijf volle eeuwen het volk van de natte plassen zich vijftienvoudig had vermeerderd, waar het volk der Franken zich slechts vier maal menigvuldigde en het mengvolk van de Belgen slechts een zestal malen.
En zij lazen in hun kronieken dat voorspoed en menigvuldiging een verbond met elkaar hadden. Na de Gouden Jaren des Voorspoeds ontvolkten hun eens zo welvarende steden.
Voorspoed gewon vermenigvuldiging, van vruchtbaarheid en vreemdeling. En tegenspoed gewon vermindering. Maar, zo stelden zij de vraag, zou ooit ook mindervuldiging met voorspoed in verbond tezamen kunnen zijn?
Mindervuldiging, zo zeiden hun de zieners, is als kiem in onze schoot reeds ingeplant. Nooit voor onze dagen was de rijkdom zo uitbundig, was de welstand zo gemeen. Nooit ook was de tijd zo onderhevig aan deszelven eindigheid. Met de welstand van de goederen kwam de schaarste van de tijd.
En de lust verging hen tot het baren van een kinderschaar. Zeer aanzienlijk werd het tal der vrouwen die zichzelve hadden toegesloten, opdat zij in het geheel niet zouden baren. Naar de mate van de vruchtbaarheid staat voor ons de mindervuldiging reeds klaar.
Dit nu bracht de koopman grote zorg, en ook de schenker en de bakker, en voorzeker ook de tollenaar. Groot zijn hunne vrezen, want de handel is hun wezen.
Als het zaad dan niet meer bloeien zal, en het volk niet meer in wasdom staat, dan zal de voorspoed ons verlaten, zo voorzeggen zij. Zonder aanwas van de jongeling geen nijverheid voor nieuwe hof en nieuwe haard, geen nieuwe leerling meer voor oude leraar. Geen steun meer voor de zwaarten van de oude dag. Geen frisse geest, geen onverdroten denkbeeld, geen nieuwe wijs in hof en haard en werkplaats.
De velden vol Methusalems, een wereld vol berusting en gelatenheid. Zo nu het eigen zaad ons niet meer dragen kan, zo laat dan jonge vreemden toe voor kracht van lijf, voor dadendrang en lenigheid des geestes. Zo raadden zij de samenscholing van hun volk.
En toen aanhoorden zij de stem van hun poëet. Weest niet bevreesd, zo zei hen hun poëet, weest niet bevreesd voor het tanen van uw handel.
Vertrouw toch op de vaardigheid van uwe geest, die nieuwe wegen vinden zal, en nieuwe handel en een nieuwe marktkraam in alle oorden van de wind. Methusalem zal rijk zijn en Methusalem zal van verveling gapend zijn.
Zo vermaak hem met uw handel en verleid hem met gespeel. En uw volle velden, kom herstel ze in de schoonheid van hun leegte. En hij zong zijn lied, zoals eerder hij gezongen had. “De daaglijkse taken, zij eisen hun deel op: het breken van bruggen, het slopen der steden. Verkwikkend is veelal de arbeid, en sterkend. Toch nuttig, zoals het opvullen van mijnen: het plaatsen van kolen en stinkende olie waar ze behoren, diep in de aarde. Zo vullen de jaren zich met veel voortreffelijks.”
Alzo hadden zij vele stemmen gehoord en vermeerderd was hun wijsheid.
En zij zagen dat er eb kwam, na de vloed van vele eeuwen. En zij vreesden die eb volstrekt niet. Zij stelden hun hoop in de poëten voor de rijkdom van hun geest. Zij stelden hun hoop in hun zilverlingen en hun goud voor de welstand van hun beurs.
In de marktkramen van de vele oorden van de wind zou hun zilver zich vermeerderen, wijl gestaag hun volk zich zou verminderen. Onverbiddelijk zou de eb zijn, zoals ooit de wateren waren gelicht van de aardbodem.
En zij zonden een witte raaf uit, om te speuren in alle oorden van de wind naar de beste kramen voor hun waren, voor de wasdom van hun goud.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.