*

 
dossier

Archief

Weer laat Van Traa journalistiek achter zich

LOUIS CORNELISSE − 01/02/96, 00:00

DEN HAAG - De rollen zijn vandaag omgedraaid. Maarten van Traa, de voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie die de IRT-affaire heeft onderzocht, moet vragen beantwoorden in plaats van stellen. Dat zal hem beter bevallen, want ooit verliet hij de journalistiek om politicus te worden. Hij wilde misstanden niet beschrijven maar er iets aan dóén.

Het 'journalistieke' werk van de commissie-Van Traa zit erop. Tientallen kopstukken van het opsporingsapparaat heeft de vijftigjarige voorzitter in de statige zaal van de Eerste Kamer de hand geschud, om ze vervolgens te verhoren. Soms vriendelijk ('Gefeliciteerd met uw verjaardag'), maar ook vaak geërgerd als een topman van justitie of politie aan een geheugen vol gaten bleek te lijden. Met naar beneden gekrulde mondhoeken, als in het openbaar veel minder werd gezegd dan eerder achter gesloten deuren tegen de commissie.

Reikhalzend is uitgezien naar het rapport. Van Traa heeft vooraf gezegd dat het de bedoeling van de enquête is dat 'Nederland moet weten wat moet, wat mag en niet mag bij de opsporing en bestrijding van georganiseerde criminaliteit'. Mensen die Van Traa als journalist hebben gekend zijn naar nog iets anders benieuwd, namelijk of het rapport geen Mer a boire is geworden. Bekend is dat Van Traa geen detail wil missen en met pijn feiten selecteert.

Misschien dat de andere commissieleden hem bij het redigeren van het rapport wat in de touwen hebben weten te houden. Collega's overigens die hij aanvankelijk het liefst stuk voor stuk had laten vervangen. Van Traa ontstak in zijn bekende toorn toen hij hoorde dat er geen enkele ervaren parlementariër naar zijn commissie zou worden afgevaardigd. Geen van allen zat langer dan een jaar in de Kamer, de VVD'er Otto Vos zelfs niet meer dan een dikke maand.

Woede

Een andere keer dat Van Traa binnenskamers in woede ontstak was nadat de procureur-generaal van Amsterdam, Van Randwijck, zijn ontslag had genomen. Zijn verhoor voor de commissie was onthutsend, zo weinig wist de baas van het openbaar ministerie van wat er zich allemaal onder zijn leiding in het resort afspeelde. Het commissielid Koekkoek (CDA) reageerde in de media dat met ontslag gaan een heel verstandige stap was geweest van Van Randwijck, omdat hij was 'tekort geschoten in het geven van leiding'.

Tot overmaat van ramp bleef Rabbae (GroenLinks) niet achter. Op werkbezoek in Zürich noemde hij de beslissing 'logisch en juist'. Ter plekke nam zijn reisgenoot en ondervoorzitter De Graaf (D66) hem onder handen, terwijl Van Traa in Den Haag afgemeten zei dat zulke uitspraken schadelijk waren voor de onafhankelijke positie van de commissieleden: “De uitspraken gedaan door individuele Kamerleden zijn dan ook niet namens de commissie gedaan.” Van Traa realiseerde zich na dat incident eens te meer, dat de enquête vooral op hem dreef.

Sjagerijnig

Narrig, soms zelfs sjagrijnig kon Van Traa zijn als genodigden van zijn commissie vooraf al in de pers getetterd hadden. De chef-recherche van Amsterdam, B. Welten, was van mening dat de politie in de hoofdstad zich altijd keurig aan de opsporingsregels had gehouden en daarvoor in IRT-verband wel een pluim verdiende. Van Traa keek Welten bij het begin met zijn neutrale blik aan. “U wilt eerherstel heb ik begrepen?” was zijn openingsvraag. “Wij verdienen eerherstel. En we zijn ervan overtuigd dat u als commissie dat ook aan iedereen duidelijk zal maken,” verklaarde de politieman. Waarop Van Traa met een op-en-neer-gaande hand aangaf dat de commissie dat zelf wel zou uitmaken.

Draaikonten

Praatjesmakers en draaikonten konden op een ijskoude douche van Van Traa rekenen. Af en toe kon de voorzitter ook zijn verbazing niet onderdrukken over wat de mensen in het beklaagdenbankje vertelden. “Wie runde nou wie? De politie de informant of andersom?” riep hij in verschillende varianten uit. Een enkele keer leek Van Traa zelfs lol te hebben in een dispuut met iemand voor hem. Zoals tijdens het optreden van de Haagse korpschef Brand, de enige hoofdcommissaris die boven de partijen lijkt te staan.

Van Traa sprak met Brand over de risico's die de politie neemt met het doorlaten van verboden zaken, zoals drugs. Niet geheel gespeend van retorische trucs legde hij Brand voor: “Als politie kun je toch niet zeggen: laten we maar een moord plegen om er tien op te lossen?”

Brand liet zich niet voor één gat vangen. Het laten passeren van een pistool kan slim zijn als je daarmee een illegaal wapenhandeltje kan oprollen. Brand: “Het zou dom zijn de principiële discussie zo voorop te stellen, dat je duizend wapens mist.” Van Traa: “Wat zegt u als u met dat ene doorgelaten wapen in een café in uw been wordt geschoten?” Brand: “Het zou anders met één van die duizend kunnen gebeuren, die we niet te pakken hebben gekregen.”

De voorzitter bracht daarop zijn rechterhand onder zijn wang en stroopte die als het ware op. Een typerend ritueeltje als Van Traa even een denkpauze wil nemen. 'Hier hebben we de kern in een notedop te pakken', zag je hem denken, maar dan kwam weer dat korte wegwerp gebaar van: dat zien we wel als alles op een rijtje wordt gezet.

Mediacircus

En vandaag is het zover. Hij zal zich het mediacircus laten aanleunen en, als gebruikelijk onder alle omstandigheden, niet laten merken het eigenlijk wel leuk te vinden. En hij zal als altijd met belangstelling zien wat zijn oud-collega-verslaggevers er van maken. Die op hun beurt zullen zoeken naar de passage in het rapport over de journalistiek, want tijdens de enquête verloochende Van Traa zijn verleden niet.

Van Traa neigde naar voren, toen de leider van het kernteam Randstad-Noord en -Midden, mr. O. Dros beweerde dat journalisten worden gebruikt door criminelen om door middel van publicaties 'zand in de machine te strooien'. Van Traa in de houding die voor de opponent meestal niet veel goeds voorspelt: “U moet met voorbeelden komen, zo'n harde beschuldiging mag niet zomaar blijven hangen.” Dros kon dat niet meteen, maar hij beloofde een knipselmapje op te sturen. Van Traa zegde op zijn beurt toe Dros' verzameling tegemoet te zien en 'als die tenminste ergens op zou slaan' in zijn rapport af te drukken.

mailIcon print |