*

 
dossier

Archief

Nieuwe indeling fysiotherapie zou tot overconsumptie leiden

Door: redactie − 05/01/96, 00:00

Bij iedere jaarwisseling verandert er van alles. Wetten worden van kracht, regelingen aangepast, subsidies afgeschaft of juist bedacht. 'Per 1 januari 1996' is een korte serie artikelen over de gevolgen van deze veranderingen.

Hij is zeer verbaasd over de veranderingen die minister Borst per 1 januari heeft ingevoerd in de vergoeding voor fysiotherapie en is er heilig van overtuigd dat Borst de beoogde 200 miljoen gulden besparing niet haalt.

De minister laat de huisarts begin 1996 patiënten die fysiotherapie nodig hebben, scheiden in twee groepen: de chronische patiënten en de overigen. De laatsten krijgen maximaal negen sessies vergoed en mogen dan hooguit nog eens negen zittingen bij een oefentherapeut ondergaan.

Chronische patiënten zijn degenen met een aandoening die in beginsel niet meer overgaat, zoals reuma of multiple sclerose. Verder vallen onder die groep kinderen met storingen in de motoriek. Zij krijgen van de huisarts een verwijzing voor drie, zes of twaalf maanden therapie.

Offers heeft groot bezwaar tegen deze nieuwe regeling. “Veertig procent van degenen die negen behandelingen krijgen, hebben er te veel aan. Het lijdt onvermijdelijk tot overconsumptie. Sommigen die met negen behandelingen moeten volstaan, hebben daar te weinig aan. De meeste verzekeraars hebben voor hen dan ook een aanvullende regeling, die de premiekosten laat stijgen. Het is dus geen besparing, omdat de kosten via de premie bij de patiënt worden weggehaald.”

Offers' tweede bezwaar is dat de verzekeraars de sturing gaan missen. “Als de patiënt weet dat de huisarts over het aantal sessies fysiotherapie mag beslissen, ontstaan er allerlei discussies in de spreekkamer en zullen artsen moeilijk weerstand kunnen bieden aan patiënten die meer behandelingen claimen. Een kwart heeft genoeg of te veel aan de negen behandelingen, maar geen patiënt gaat straks meer de deur uit zonder een recept voor negen behandelingen. Veel patiënten zullen terugkomen, omdat ze daarna nog recht hebben op oefentherapie en dat leidt weer tot wachtlijsten, want er zijn te weinig oefentherapeuten, achttienhonderd in heel Nederland.”

Sinds 1991 werkt Azivo met een eigen systeem, dat prima voldoet. Artsen konden fysiotherapie voor een patiënt vragen op basis van een indicatie. Die onderscheidde vier categorieën patiënten: kortdurend acuut, subacuut, subchronisch of chronisch. Aan elke categorie was een bepaald aantal behandelingen gekoppeld. Zo had een chronische patiënt recht op zestig behandelingen per jaar.

Offers is zelf fysiotherapeut en vindt deze systematiek ook vakinhoudelijk beter. “Iemand die een chronische aandoening heeft, heeft niet altijd evenveel last. Wie bijvoorbeeld reuma heeft, kent perioden dat hij vrijwel geen therapie nodig heeft. In ons systeem kon zo iemand in deze periode met weinig therapie volstaan. Gedurende een periode dat de pijn heviger was, kon hij voor wat meer therapie kiezen.”

Bij doorrekenen van het Azivo-systeem door het Nivel (Nederlands Instituut voor eerstelijns gezondheidszorg) bleek dat deze formule circa 39 procent op fysiotherapie bezuinigt, terwijl mevrouw Borst een bezuiniging van 22 procent beoogt. De Azivo-formule is niettemin niet landelijk ingevoerd. “De andere zorgverzekaars voelden er weinig voor”, zegt Offers “omdat bezuinigingen die zij zouden behalen toch maar in de centrale kas teruggestort zouden moeten worden. Daarbij komt dat lang niet elke medische dienst van de zorgverzekeraars een fysiotherapeut heeft, die advies kan geven over de ingediende verzoeken.”

Verhoging Per 1 januari is het nieuwe systeem voor fysiotherapie in werking getreden. De Vereniging van vrij gevestigde fysiotherapeuten VVF ligt wel nog overhoop met de koepel van de zorgverzekeraars over de tarieven die nu gelden. De VVF eist een verhoging met 15 procent, terwijl de zorgverzekaars niet verder willen gaan dan de voorwaarden die in 1995 golden. Nu de twee organisaties het nog steeds niet met elkaar eens zijn, dreigt de minister een restitutiebesluit te nemen. De oude tarieven zouden dan nog zes maanden blijven gelden. Het betekent voor de patiënt in de tussentijd dat deze zelf de declaratie van de fysiotherapeut moet voorschieten en deze van de verzekaars moet zien terug te krijgen. “Dan zitten we dik in de penarie”, zegt Offers. “het betekent voor de verzekeraars dat ze een enorme administratieve klus krijgen. Voor de fysiotherapeuten betekent het dat zij een groot aantal dubieuze debiteuren krijgen.”

Hoe hoog dat bedrag aan onbetaalde rekeningen kan oplopen illustreert Offers met de periode dat de specialisten in 1989 op restitutie-basis werkten. “Alleen in de regio groot-Den Haag leverde dat voor twee en een half miljoen aan openstaande declaraties op. Op zoiets zit toch niemand te wachten?”

mailIcon print |