*

 
dossier

Archief

'Een illegaal gaat niet dood, die is er niet'

LOUIS CORNELISSE − 30/01/97, 00:00

Ze rilt. Duikt diep weg in haar lichtbruin leren jack. Gedurende het gesprek rollen vaak dikke tranen over haar wangen. De vragen lijken op die welke haar werden gesteld tijdens de verhoren door politie en justitie. Genet Negash is 21 jaar en na drie jaar asielopvang in Apeldoorn zonder een cent op straat gezet. Ze leeft nu illegaal in Den Bosch.

De Ethiopische is de eerste en - voorlopig - enige door justitie afgewezen asielzoeker die door de gemeente Apeldoorn uit de opvangwoning is gezet. Ze is het symbool geworden van het verzet van Apeldoorn tegen de 'inhumane behandeling' van uitgeprocedeerde vluchtelingen, die geen asiel krijgen, maar ook niet naar hun land kunnen worden teruggestuurd. Dat komt meestal omdat ze geen papieren (meer) hebben of het land van herkomst zo'n lastpak niet meer wil opnemen. Het gevolg is dat Ethiopiërs, Eritreeërs en Chinezen uit hun Roa-huis worden gezet, hun leefgeld wordt stopgezet en ze worden gedwongen te verdwijnen in de illegaliteit.

De frêle Afrikaanse is weer even terug in Apeldoorn. In het gebouwtje van VluchtelingenWerk praat zij via een tolk, die middels de telefoon meeluistert en vertaalt. “In Ethiopië kreeg ik grote problemen met de politiek. 'Je moet weg', zeiden mijn vader, broers en zussen. 's Nachts ben ik met de trein naar Djibouti gevlucht en daar hebben ze me op het eerste het beste vliegtuig gezet. Dat bleek naar Nederland te gaan.”

Ze is niet veel groter dan een meter zestig. Snikt. Van haar twee broers en vier zusters heeft ze niets meer gehoord. Ze durft niet te bellen. Hoeveel ze heeft moeten betalen voor het (nep)paspoort, kan ze niet zeggen. 'Mensen' hebben haar geholpen en haar gezegd dat ze niet op Schiphol, maar in Den Haag asiel moest aanvragen. Waarom, weet Genet Negash niet. Ze veegt haar dreadlocks uit haar gezicht en zegt fel: “Waarom al die vragen? Iedereen weet hier toch al alles van me?”

Dan breekt ze weer, glimlacht verontschuldigend, praat snel in de microfoon voor de tolk: “In maart 1994 ben ik overgebracht naar een opvangcentrum in Emmeloord. In het begin was ik de enige Ethiopische, later kwamen er meer, maar toen moest ik weg naar de centrum in Steenwijk. Daar ging ik wel eens naar een taalcursus. Het was de hele dag televisie kijken, meer mag niet”.

Dolgelukkig was ze, toen er na een jaar een Roa-opvangwoning voor haar was. Apeldoorn was wel wat anders dan Addis Abbeba, maar ze kreeg een leuk flatje 'vlakbij McDonalds'. Ze deed in afwachting van haar asiel leuk mee, vond ze. Met haar flatgenote, een zogenaamde Ama, een alleenstaande minderjarige asielzoekster, maakte ze dankbaar gebruik van het aanbod gratis te kunnen zwemmen.

Haar wereld stortte een jaar geleden plotseling in. Haar asielverzoek werd afgewezen. Het vluchtverhaal was te mager. Genet Negash kijkt wanhopig: “Als ik terugga, loopt het heel slecht met me af. Ik durf er niet aan te denken. Ik hou van mijn land. Ik was heus niet helemaal hierheen gekomen om zo in het stof te kruipen, als er niets aan de hand is.” De tranen druppen op de tafel. Ze doet haar handen voor haar ogen. Aan de ene hand de gouden ringen uit Ethiopië, aan de andere goedkope opschik van de Hollandse markt.

Haar flatgenoot, ook een Ethiopische, mocht blijven. Niet omdat haar verhaal 'beter' was, maar om het simpele feit dat staatssecretaris Schmitz van justitie geen minderjarige kinderen het land uitzet of de illegaliteit in stuurt.

Voor Genet Negash viel het doek op 2 mei vorig jaar. “De politie stond voor de deur, met mensen van de sociale dienst en de huismeester. Ik kon het niet geloven. Ze pakten mijn spullen en ik moest weg. Waarheen? Ik ben maar naar VluchtelingenWerk gegaan. Daar kreeg ik sinds het stopzetten van mijn leefgeld door de gemeente tien gulden per dag van. Maar die konden mij ook niet helpen. Ze hebben me een lijstje met opvanghuizen en telefoonnummers gegeven.”

Ze belandde in Amsterdam, maar daar bleef de deur van het opgegeven adres dicht. “Ik was bang en zo alleen, zo alleen... Bij een ander adres hebben Nederlanders me op een kerk in Den Bosch gewezen. Daar ben ik heengegaan. Ik was zo bang, maar die mensen hebben me eten en drinken gegeven. Ik mag er ook slapen. Maar dat kan ik niet. Het spookt door mijn hoofd. Ik ben zo bang. De pijn in mijn hoofd gaat niet weg. Iedere avond paracetamol, mij hoofd doet zo'n pijn. Ik ben ook maar een mens. Hoeveel kan een mens hebben?”

Een paar maal achter elkaar zegt ze dat ze God dankt dat ze in Den Bosch wordt opgevangen. Over Apeldoorn durft ze niets kwaads te zeggen.

Ook over de verhoren door politie en justitie zwijgt ze als het graf. Ze maakt het gebaar dat het allemaal uit haar hoofd is gevlogen. “Wie kan mij nog helpen? Ik kan niet eens laten zien dat ik Genet Negash ben. Papieren heb ik niet. Op straat durf ik niet. Ik heb bijna geen geld. De kerkmensen geven me wat. Van Apeldoorn heb ik niets meer gehoord. Als ze nu afgewezen asielzoekers niet meer wegjagen, zou ik dan niet terug mogen komen? Is er dan geen fout gemaakt?”

Ze schudt haar hoofd. Duikt nu zelfs helemaal weg in haar Noorse trui en rilt. “Hoop heb ik niet meer. Waar moet ik op hopen? Eigenlijk wacht ik tot ik dood ga. Een illegaal als ik gaat niet dood, die is er niet. Maar naar Ethiopië ga ik niet terug. Het is vreselijk hier zo te leven. Ik moet me afzijdig houden van alles. Ik heb high school gehad in Ethiopië. Ik ben kapster. Maar ik mag niet leren en niet werken, moet niet opvallen.”

Op de vraag of ze is benaderd door prostitutie-ronselaars, zoals zoveel van haar lotgenoten, buigt ze dreigend voorover. De tolk krijgt niet de kans de vraag te vertalen. “Never, nooit.” En tegen de microfoon van de vertaler: “I am a Christian, that is my answer.”

Weer tovert ze de verontschuldigende glimlach tevoorschijn. Rond het gebouwtje van VluchtelingenWerk trekt de mist wat op. Er zijn geen speciale gevoelens, nu ze weer terug is in Apeldoorn, zegt ze. Het meisje met wie ze haar flat deelde, zal er wel niet meer wonen. Die heeft vast plaats moeten maken voor wél toegelaten vluchtelingen, zoals de bedoeling van de staatssecretaris is.

Aan de suggestie die Schmitz na alle opwinding over het op straat zetten van ex-asielzoekers deed, heeft ze ook weinig. De bewindsvrouw zei speciale bijstandsteams te willen inzetten om afgewezen vluchtelingen te vertellen hoe ze bij terugkeer steun van de Nederlandse overheid kunnen krijgen. “Hoe moeten die mij vinden? De Nederlandse regering heeft mij toch illegaal gemaakt?”

Genet Negash kijkt weg. Ze wil niet steeds huilen. Ze wil best op de foto om te laten zien dat ze nog bestaat. Al was het maar voor zichzelf.

Aan de andere kant is het niet slim, denkt ze. Dan kan iedereen in de krant zien hoe die illegale Ethiopische eruit ziet. Half zichtbaar dan maar lijkt haalbaar, hoewel dat meer iets is voor criminelen.

Even komt er tussen de tranen een bevrijdende lach, als haar wordt gezegd dat het volgende week carnaval in Den Bosch is. “Dat ken ik nog wel uit Apeldoorn. Dan is iedereen vrolijk en probeert verkleed op te vallen. Bijna iedereen, hè.”

mailIcon print |