*

 
dossier

Archief

Effect van het minderhedenbeleid is bij veel gemeenten niet bekend

Door: redactie − 07/02/98, 00:00

Van onze correspondent NIJMEGEN - Gemeenten met veel allochtonen hebben wel een idee van hun problemen, maar ontberen vaak de harde cijfers die de omvang daarvan duidelijk moeten maken. Ook verzuimen veel gemeenten om aan gesubsidieerde instellingen te vragen wat het resultaat van hun inspanningen is.

Dat blijkt uit een nog lopend onderzoek, in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), onder de honderd grootste gemeenten.

De voorlopige uitkomsten van het onderzoek zijn gisteren in Nijmegen gepresenteerd op een door de VNG georganiseerd congres. Aanleiding voor het onderzoek was de aankondiging van steden als Amsterdam, Utrecht, Haarlem en Deventer dat zij afstappen van specifiek minderhedenbeleid.

Het onderzoek toont volgens VNG-beleidsmedewerker Ineke Ketelaar aan dat voor ongerustheid geen aanleiding bestaat. De gemeenten hebben op zichzelf genomen nog steeds ruime aandacht voor de problemen van etnische minderheden op het gebied van onderwijs, gezondheid en werk.

Als er al sprake van is dat gemeenten geen specifiek minderhedenbeleid meer voeren, dan blijkt dat meer een kwestie van naamgeving te zijn ('algemeen achterstandsbeleid') dan dat het beleid inhoudelijk is veranderd. “In het algemeen kun je zeggen dat er gewoon een ander plakkertje op is gedaan.”

Gevraagd naar harde cijfers over de plaatselijke situatie blijkt er echter wel een behoorlijk verschil te bestaan. Zo hebben driekwart van de ondervraagde gemeenten het idee dat allochtonen weinig tot geen gebruikmaken van voorzieningen voor welzijn en cultuur, maar slechts een derde van de gemeenten heeft daar ook cijfers over.

Die lijn zet zich door als het voeren van beleid wordt vergeleken met het zicht dat gemeenten hebben op de effecten. De opvallendste discrepantie is te zien bij de slechte gezondheidstoestand van allochtonen. Ruim 60 procent van de gemeenten zegt op dat gebied beleid te voeren, terwijl slechts 20 procent kan aangeven wat het resultaat van die inspanning is.

Bij 'lage schoolprestaties' is de score vergelijkbaar: 85 procent voert beleid en maar 51 procent weet of het wat uithaalt.

Ketelaar: “Gemeenten doen wel heel veel - om politieke redenen, uit morele motieven 'omdat er wat moet gebeuren' - maar ze hebben eigenlijk geen idee van de effecten”. Alle betrokken partijen zouden er volgens haar baat bij hebben als gemeenten van instellingen eisen om cijfermatig duidelijk te maken wat met de subsidiegelden is gebeurd.

Dat zou overigens op meer beleidsterreinen moeten gebeuren, zoals jeugd- en ouderenzorg. “Als ik bij de supermarkt rotte appels koop, ga ik ermee terug. Dat zou voor het minderhedenbeleid ook zo moeten werken. Een gemeente moet de mogelijkheid hebben om te zien wat er met de subsidie gebeurt en kunnen bijsturen”, stelt Ketelaar.

De omslag waar zij voor pleit, zal zowel voor de gemeenten als de beroepskrachten geen eenvoudige opgave zijn en in de praktijk tot flinke aanvaringen kunnen leiden. Maar de honderd grootste gemeenten geven in het onderzoek zelf aan dat hun beleid weinig effectief is. Bij lage schoolprestaties beoordeelt slechts 9 procent van de gemeenten het beleid als effectief, bij hoge vroegtijdige uitval 17 procent en bij hoge werkloosheid 19 procent.

De uitkomsten van het onderzoek rechtvaardigen volgens Ketelaar een zakelijker aanpak, al benadrukt ze “dat helemaal niet gezegd is dat gemeenten een slecht minderhedenbeleid voeren.” De Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal gemeenten desgewenst terzijde staan.

Samen met de Anne Frank-stichting heeft de VNG een boekje uitgegeven met als titel 'De gemeente is van iedereen; Vormgeven aan een multiculturele samenleving'. Aan de hand van praktijkvoorbeelden worden ideeën aangereikt over het betrekken van minderheden bij de lokale samenleving, zoals het samen herdenken van 4 mei en vieren van 5 mei, de rol van onderwijs en jeugdbeleid bij integratie en de noodzaak om discriminatie en racisme te voorkomen en bestrijden.

Volgens G. Duyvendak, hoogleraar wetenschappelijke grondslagen van het opbouwwerk, doet zich in Nederland de 'hoogst paradoxale' situatie voor, dat politici in woord zeggen dat ze geen specifiek beleid voor groepen meer willen voeren, maar in feite dat wel degelijk nog doen.

Duyvendak bepleit het respecteren van verschillen tussen autochtonen en allochtonen. In onderwijs, sport en volkshuisvesting is het van belang om rekening te houden met 'de leuke en vervelende verschillen' en die niet koste wat kost toedekken, omdat groepen uit de mode zijn.

mailIcon print |