*

 
dossier

Archief

DE BOEDDHIST

ANNELIES ROON − 10/01/96, 00:00

Er zijn gelovigen die een tulband dragen, of zwarte kousen, of een tamboerijn bespelen. Er zijn er die God aanbidden, of de zon, of zichzelf. Hun levensovertuiging heeft vaak een exotische naam. In deze serie vertellen gelovigen wat hen beweegt.

De bezigheden die vroeger op acht paar schouders rustten, liggen nu goeddeels op het bord van Boonman. Het is rustiger mediteren en studeren in een klooster met twaalfhonderd monniken dan als eenling in de bossen van Emst. Daarom gaat de laatste monnik van het Maitreya instituut binnenkort voor onbepaalde tijd naar India. Daar hoeft hij ook niet uit te leggen dat hij niet 'van de Bhagwan is' en hoeft hij geen spijkerbroek aan als hij boodschappen gaat doen.

Het begon allemaal rond 1982. Boonman was op zoek naar iets. Hij wist alleen niet precies naar wat. Hij had eens wat over het Zen-boeddhisme gelezen, maar daar kon hij niet veel mee. Hij was gefascineerd door de sprongen in de Kung Fu-series op de televisie en vermoedde dat de wijsheid uit het oosten kwam. Concentratie, oosterse filosofie, Tibet, Japan, daar moest ergens de sleutel liggen. Uiteindelijk bracht de tandarts de oplossing. In de wachtkamer las hij in de Elegance een artikel over het Tibetaans boeddhisme van de dalai lama. 'Dat is het', dacht Boonman en vergat van de zenuwen om te vragen of hij het blad mocht meenemen. Bij de volgende gebitscontrole lag het er gelukkig nog. Het artikel vermeldde het adres van het Maitreya instituut en op een zonnige woensdagmiddag in juni 1984 betrad Boonman voor het eerst het terrein van het instituut, dat toen nog in Maasbommel gevestigd was: “Het eerste wat ik zag, was een monnik die zat te werken aan een tafeltje onder een parasol. Ja, flitste er door mijn hoofd, ik moet ook maar monnik worden. Dat was maar een ingeving, want zo'n beslissing neem je natuurlijk niet halsoverkop, maar kennelijk zat het er toch al een beetje in. Die middag heb ik wat rondgekeken in het centrum, het weekend daarop heb ik mijn eerste cursus gevolgd. Eind augustus heb ik toevlucht genomen, wat betekent dat je formeel boeddhist wordt. Op dat moment nam ik ook de vijf lekengeloften.”

Die geloften brachten voor mij geen schokkende veranderingen met zich mee. Je belooft bijvoorbeeld dat je niet meer zult doden, dat je niet zult nemen wat niet is gegeven en dat je geen overspel zult plegen. De gelofte om niet te liegen betekent dat je geen grote onwaarheden zult vertellen over dingen die je zou bezitten of kwaliteiten die je zou hebben. Met een leugentje om bestwil breek je niet de gelofte. Maar als je daar een gewoonte van maakt, zul je die gelofte wel degenereren. Want van kleine leugentjes kun je naar grote leugentjes en voor je het weet zit je van alles en nog wat te fantaseren. De laatste gelofte is: geen alcohol en bedwelmende middelen gebruiken. Nou, ik rookte toch al niet en ik dronk ook niet, want dat vond ik niet lekker. Dus al met al waren voor mij deze geloften niet erg ingrijpend.''

“Nadat ik drie jaar lang allerlei cursussen gevolgd had in de weekenden, besloot ik monnik te worden. Want dan plaats je jezelf in een kader van allerlei regeltjes, waardoor het makkelijker wordt om met het boeddhisme bezig te zijn. Dat is natuurlijk een hele individuele keuze. Ik wil niet zeggen dat dat voor iedereen nuttig is, maar voor mij was het: als ik voor het boeddhisme wil kiezen, dan moet ik dat ook helemaal doen, anders zou ik er nooit uithalen wat ik er uit zou willen halen.”

Bij zijn wijding tot novice kreeg Boonman zijn boeddhistische naam, Jampel Pharchin. Hij huurde een kamer in het instituut en brak zijn studie biologie aan de lerarenopleiding in Tilburg af. “Eigenlijk had ik besloten om die opleiding gewoon af te maken, maar vlak na mijn novice-wijding verhuisde het instituut plotseling naar Emst. Het was in Maasbommel te klein geworden. Wat we hier aantroffen was een voormalige jeugdherberg die al anderhalf jaar had leeggestaan en er moest van alles worden opgeknapt, geschilderd en getimmerd. En je kunt als monnik natuurlijk niet zeggen: ik heb geen tijd. Je bent monnik geworden om monnik te zijn en niet om per se biologieleraar te willen worden. En toen dacht ik: ik ga het allemaal niet meer inhalen. Vanuit Emst heen en weer pendelen naar Tilburg was ook niet te doen, dus toen heb ik het er maar bij gelaten. In de winter van 1988 ontving ik in India de volledige monnikswijding van zijne heiligheid de dalai lama.”

“Als enige monnik in het instituut wordt er een zwaar beroep op je gedaan. De ochtenden probeer ik altijd voor mezelf te houden, maar in de middagen en vaak ook de avonden ben ik bezig voor het instituut. Ik ben een soort extra docent en pastoraal werker hier. Ik geef les, persoonlijke adviezen, meditatiebegeleiding, ik leid gebedsdiensten, help bij uitvoering van rituelen, een hele hoop dingen. Je bent constant bezig en nodig. Het idee dat ik had toen ik monnik werd, was dat ik alleen maar zou studeren en mediteren en 'heilig doen', zal ik maar zeggen. Nou, mooi niet: het is gewoon werk.”

“Bijna ieder jaar ga ik een of meer maanden naar het buitenland. Het grootste deel van die tijd probeer ik in het klooster in Zuid-India te zijn waar ik destijds mijn monnikswijding heb ontvangen. Die bezoeken zijn echt om de accu weer een beetje op te laden. Als je tussen monniken bent, dan voelt dat heel anders, veel stimulerender. Ik had al aangegeven dat ik graag voor langere tijd naar het buitenland zou willen, maar er zijn hier maar zo weinig mensen die zich full-time met het boeddhisme bezighouden, dus als zodanig ligt hier toch een bepaalde taak. Vandaar dat ik mijn beslissing om te vertrekken steeds heb uitgesteld. Maar volgend jaar zit ik hier al negen jaar en dan is het de bedoeling dat ik toch wegga. Na zo'n lange tijd moet dat kunnen, vind ik. Ik wil dan tijd besteden aan wat meer formele beoefening in India. Hier is het moeilijk om voor langere tijd, een maand of zes weken, niet gestoord te worden en een bepaalde retraite te doen. In april of mei van volgend jaar hoop ik naar 'mijn' klooster in India te gaan.”

Bij zijn vertrek laat Jampel Pharchin het Maitreya instituut niet volledig in 'lekenhanden' achter. Geshe Sonam Gyaltsen, de Tibetaanse leraar van het instituut blijft er wonen en lesgeven. Verder woont er een non op het instituutsterrein, en een novice. Laatstgenoemde wacht momenteel ook op een visum voor India, waar hij een paar jaar wil blijven.

“Een bijkomende reden om naar India te vertrekken, is dat het bestaan van een monnik In Nederland financieel nogal haken en ogen heeft. Voorheen had ik een uitkering, maar ik moet zeggen dat me dat een hoop gezeur en gedoe heeft opgeleverd met de sociale dienst. Niet iedereen kan de keuze die ik gemaakt heb, respecteren. Het is hier natuurlijk een stuk minder gebruikelijk om voor het kloosterleven te kiezen. De opvatting is vaak dat je alleen gelukkig kunt zijn met een baan. Tegenwoordig heb ik sponsors. Dat bedrag is voldoende om van te leven in India, een paar honderd gulden per maand. Maar een leuke film, een goed boek, een gezellige babbel zal er daar niet in zitten. In het klooster is het alleen maar dharma, dharma, dharma, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. De boeddhistische leer dus. Dat wordt wennen, want ik ben zeker geen asceet. Ik heb alvast geïnvesteerd in de bouw van een eigen kamertje. Met een toilet en een douche, nou ja, een hoog kraantje. Mijn situatie is straks ook naar Nederlandse maatstaven goed genoeg. Deze monnik lijkt daar de rijkste monnik ter wereld.”

mailIcon print |