Alex woonde al een paar jaar samen toen hij de mogelijkheid kreeg om docent aan de universiteit van Jakarta te worden. Hij stoorde zich al een tijd aan de kleinburgerlijke moraal en de bemoeizucht van de Nederlanders. Zijn vriendin besloot haar baan op te zeggen om met hem mee te gaan, maar dat had ze beter niet kunnen doen. Eenmaal in Jakarta realiseerde Alex zich pas dat zijn miezerige stemming niet veroorzaakt werd door de Nederlandse samenleving, maar diep in zijn ziel verankerd was. Zijn vriendin keerde terug naar Nederland met het gevoel alles kwijt te zijn.
Of je nu om de kick, het avontuur of het grote geld, uit idealisme of noodzaak, of als vlucht je laat uitzenden naar een niet-westers land, je komt hoe dan ook jezelf tegen. Zelfs met de beste voorbereiding valt een cultuurshock nauwelijks te vermijden. Toch lijkt me 'Expats! Over leven in een niet-westerse cultuur' juist als voorbereiding een ideaal geschrift voor al dan niet vrijwillige avonturiers. Aan de hand van tal van voorbeelden maken de sociaalgeograaf Annemieke van Stek (1961) en de cultureel antropoloog en jurist Hanneke Rozema (1949) duidelijk welke problemen degene tegenkomt die zo gek is als partner mee te gaan en welke oplossing deze het best kan kiezen.
In 85 procent van de gevallen blijkt degene die wordt uitgezonden een man, maar dit is volgens de schrijfsters aan het veranderen. Vooral de overheid zendt steeds meer vrouwen uit, al dan niet met mannelijke partner. Een prachtig voorbeeld hiervan is Bert Keizer die zijn ervaringen als mannelijke bijwagen in Kenia begin jaren tachtig omvormde tot de aanstekelijk geschreven schelmenroman 'Tijdelijk feest' (1998).
Hoewel Van Stek en Rozema in plaats van een hilarisch, meer een serieus, gedegen en praktisch boek schreven, is hun overzicht toch eerder luchtig dan prekerig van toon. Of ze nu het omgaan met corruptie, ongevraagd personeel, bezoekers uit Nederland, diefstal, heimwee en depressie, de andere cultuur, de andere expatriates, ziekte of bevalling behandelen, steeds maakt het gepresenteerde een herkenbare en vrijwel volledige indruk.
De titel slaat op de gangbare afkorting van expatriates waarmee de westerse 'gastarbeiders' in den vreemde met hun aanhang worden bedoeld. Het verschil met emigranten is dat het contact van expats met het gastland in de regel vluchtig blijft. Emigranten hechten zich meer.
De bekommernis van de auteurs die zelf ruime ervaring hebben in het buitenland geldt vooral de vrouwelijke partners. Zo adviseren zij terecht vrouwen die besluiten in het buitenland te bevallen om tegen die tijd hun moeder of een vriendin over te laten komen, omdat vrouwen zich aan het eind van de zwangerschap vaak moederziel alleen voelen.
Terecht noemen de schrijfsters als terugkerende bron van ergernis het gebrek aan privacy doordat je almaar met het lokale huispersoneel zit opgescheept. Het allerergste evenwel is de kliek van andere expatriates die al een oordeel over jou als nieuwkomer kan hebben voordat ze je hebben ontmoet. Ook al woon je in een miljoenenstad, de expats weten alles van elkaar: ,,Ik weet dat jullie morgen bij de familie De Hoop gaan eten. Het wordt lekker. Ik weet wat op het menu staat.'' Leuk, gezellig toch? Mij niet gezien.
Veel gevaarlijker dan de politieke situatie blijkt overigens het verkeer, de eerste doodsoorzaak van Nederlanders in het buitenland. Er zijn landen waar men altijd de buitenlanders de schuld geeft. Vandaar het curieus klinkende advies van de auteurs als regel door te rijden na een ongeluk. En met het oog op hiv-besmetting moet je zo mogelijk elke bloedtransfusie weigeren.
Of men nu door Shell of de Missie wordt uitgezonden, de relatie met je partner komt veelal onder grote druk te staan. Veel meer dan in Nederland ben je op elkaar aangewezen. Je kunt daarom maar het beste zoveel mogelijk contact houden met elkaar, betogen de auteurs. Soms is een breuk onvermijdelijk, wat een regelrechte ramp betekent. Bekend is het verhaal van de tropenarts die met zijn Nederlandse vriendin naar Afrika vertrekt en jaren later naar Nederland terugkeert, maar met een Afrikaanse schone gehuwd.
Gelijk Osysseus keer je terug, met 'een hoofd vol herinneringen', zoals Daniëlle Pinedo en Frank Verkuijl (1977) dat noemden in hun boek over werken in risicogebieden. De terugkeer naar Nederland wordt maar al te vaak onderschat. In plaats van het alles-komt-goed-scenario blijkt je eigen land ineens niet meer vertrouwd en niemand in je verhaal geïnteresseerd. De verwachting direct weer te worden opgenomen in het leven voor het vertrek blijkt plotseling niet te kloppen. De aanpassing van je kinderen aan de Nederlandse situatie blijkt al evenmin vlekkeloos te verlopen. Van een druk sociaal leven val je in een sociaal isolement. Gemiddeld na een jaar voelt men zich in Nederland pas weer helemaal thuis.
Net als bij het verlies van de geliefde of een belangrijk object idealiseren sommige repatrianten hun vroegere leven in het buitenland, roepen dit voor hun geestesoog telkens weer op. Voor anderen is die tijd niet minder dan een boze droom geweest, de ramp van hun leven. Een tabletje realiteitszin wil wel eens wonderen doen: ,,Hang niet te zeer aan het avontuurlijke buitenlandleven maar richt je op het hier en nu'', staat er in de laatste zin. Precies. De auteurs hebben gelijk. Je referentiekader is blijvend veranderd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.