*

 
dossier

Archief

Leraar op scholengemeenschap beoordeelt havo- en VWO-leerling hoger

Door: redactie − 02/08/96, 00:00

Van een onzer verslaggeefsters GRONINGEN - Leraren op scholengemeenschappen zijn, zonder zich daar zelf van bewust te zijn, strenger voor mavo-leerlingen dan voor leerlingen van havo en VWO. Gemiddeld krijgen de mavo-leerlingen voor alle vakken lagere cijfers. Daardoor blijven ze vaker zitten.

De meeste leraren en leerlingen zien het verschil nauwelijks, omdat het patroon pas zichtbaar wordt als grote aantallen schoolrapporten naast elkaar worden gelegd. Dat is precies wat het Gronings instituut voor onderzoek van onderwijs (Gion) in een onderzoek heeft gedaan. Het Gion vergeleek drie jaar lang de rapportcijfers van 900 leerlingen uit de eerste drie klassen van scholengemeenschappen voor mavo, havo en VWO. In de eerste drie jaren krijgen leerlingen van de drie schooltypes meestal nog les van dezelfde docenten.

“Eigenlijk zou je verwachten dat voor alle schooltypes het cijfergemiddelde gelijk is”, zegt Hans Kuyper, een van de onderzoekers. “De docenten geven immers elke klas les naar eigen niveau. De leraar zal een proefwerk van een mavo-klas anders beoordelen dan een proefwerk van een havo-klas. Maar het lijkt er op dat leraren in de praktijk moeite hebben om daar 100 procent consequent in te zijn. Waarschijnlijk beoordelen ze hun leerlingen toch met een soort 'gemiddelde' norm. Dat betekent dat ze de mavo-leerlingen meestal overvragen.”

De Groningse onderzoekers zien dit als enige verklaring voor de verschillen die ze op alle scholengemeenschappen aantroffen in de rapportcijfers voor mavo, havo en VWO. Mavo-leerlingen krijgen de laagste cijfers, havo-leerlingen krijgen gemiddelde cijfers, VWO'ers worden over de hele linie beloond met de hoogste rapportcijfers. Op de ene scholengemeenschap waren de verschillen groter dan op de andere, terwijl het patroon ook bij het ene vak duidelijker optrad dan bij het andere.

Het gaat niet om spectaculaire verschillen. Het gemiddelde rapportcijfer, voor alle vakken, is voor een mavo-leerling ongeveer 0,4 punt lager dan voor een havo-leerling. Maar de gevolgen kunnen groot zijn.

Onderzoeker Kuyper: “Het kan precies het verschil zijn tussen overgaan of zitten blijven. Het maakt nogal uit of je een 5.3 of een 5.7 hebt voor Engels. Het is bekend dat mavo-leerlingen vaker blijven zitten dan leerlingen van andere scholen. Wij sluiten niet uit dat de nét iets strengere beoordeling van mavo-leerlingen daar een rol bij speelt.”

De onderzoekers hebben geen vergelijking gemaakt met de cijfers van leerlingen op zelfstandige mavo-scholen. Het is dus niet duidelijk of ook die scholieren gemiddeld lagere cijfers krijgen dan leerlingen op andere schooltypen.

Het is niet de eerste keer dat wetenschappers aantonen dat scholen geneigd zijn in 'gemiddelden' te denken, los van de werkelijke prestaties van leerlingen. Al in 1967 trok onderzoeker De Groot de conclusie dat leraren niet erg consequent zijn in het cijfers uitdelen. Of een klas nu goed of slecht presteerde, de leraar deelde per klas altijd evenveel onvoldoendes en voldoendes uit.

Het Groningse instituut voor onderzoek naar onderwijs heeft de mavo-leerlingen ook gevraagd naar het plezier dat ze aan de lessen beleven. Als brugklasser vinden de meesten de lessen nog leuk, maar de animo daalt daarna snel. Elk jaar krijgen de leerlingen minder zin om naar school te gaan of huiswerk te maken. Het Gion liet de leerlingen elk jaar vragenlijsten invullen. Het blijkt dat de uitstraling van de docent allesbepalend is.

“Of leerlingen een vak leuk vinden, hangt niet af van het cijfer dat ze er voor krijgen, maar van de docent”, zegt Kuyper. “Leerlingen oordelen daarin zeer eendimensionaal. Als een leraar 'leuk' is, zijn ook de lessen boeiend, en kan de leraar ook goed uitleggen en orde houden. Voor veel mensen mag dit een bekend gegeven zijn uit hun eigen schooltijd, in het onderwijs zelf lijkt het soms een taboe te zijn. Leraren denken dat hun methode van lesgeven bepalend is. Maar het is hun uitstraling.”

De rapportcijfers vertonen in drie jaar eveneens een dalende trend. Het gemiddelde cijfer van het eerste rapport in het eerste leerjaar bedraagt 7.0. Een jaar later is dat 6.7. Het gemiddelde cijfer is aan het einde van het derde leerjaar gedaald tot 6.4.

mailIcon print |