“Onder Algerijnen gaat een wrange mop rond. Na het bloedbad in het dorpje Ben Talha, waar in september meer dan tweehonderd inwoners omkwamen, hoorde de Algerijnse minister van binnenlandse zaken het bericht dat prinses Diana was omgekomen. Zegt de minister: 'Ze had ook niet naar Ben Talha moeten gaan'.”
Het levendige gezicht van Hakim Traidia verstart. De anekdote illustreert zijdelings de onmacht en wellicht ook desinteresse van de wereld om te begrijpen wat er in Traidias geboorteland Algerije aan de hand is. Zo overvleugelde het overlijden van de people's princess ruim de berichtgeving over de ergste geweldsuitbarsting sinds jaren in Algerije. Deze maand, tijdens de Ramadan, zijn alweer meer dan 1200 burgers vermoord door rivaliserende fundamentalistische bendes.
Vraag Hakim niet naar een politieke oplossing voor het conflict. “Daar weet ik niets van. Ik ben al zo lang uit Algerije weg. Mijn jeugd daar zie ik als een exotische vrucht, die hier niet groeit. Algerije was voor mij een gesloten boek, waar ik af en toe in bladerde. Maar daar is nu een extra hoofdstuk bij gekomen. Een hoofdstuk dat de mooie verhalen van vroeger verdringt. Een kwellend hoofdstuk ook, voor mijn familie die nog in Algerije woont. Ik kan er niet heen, maar ik zie de gruwelen op het nieuws.”
In deze oorlog, zegt Hakim, weet niemand wie de dader is. “De boosdoener heeft geen gezicht. Neef vermoordt neef, broer wantrouwt broer. Het is puur terrorisme. Ik wil laten zien dat we aan hen denken. Het wordt een solidariteitsmars voor de onbeschermde burgers in Algerije. Of het zal helpen? Ik weet het niet. Als je passief blijft, verandert er in ieder geval niets.”
Het initiatief van de Algerijnse theatermaker is enthousiast ontvangen. “Ik ben in een bootje gestapt en drijf nu op de stroom mee”, zegt hij. Eerst stond de mars voor afgelopen zaterdag gepland, maar hij is om organisatorische redenen verzet naar zaterdag 14 februari.
De protestmars gaat vergezeld van een inzamelingsactie voor kinderen in Algerijnse ziekenhuizen. Steun krijgt Hakim van SAIA, de Stichting voor Algerijnse Intellectuelen in Amsterdam die eerder Algerijnse journalisten naar Nederland haalde, en het Amsterdams Centrum voor Buitenlanders. Ook Amnesty doet mee en wellicht nog enkele vluchtelingenorganisaties.
De deelnemers starten op de Dam, volgens Hakim een plek die onlosmakelijk verbonden is met de strijd voor de mensenrechten. Hakim spreidt zijn handen in een breed gebaar uit. De vlechtjes rond zijn gezicht springen op. “Iedereen mag komen. Politici ook, als mens of namens hun partij, dat is prima. Ik hoop vooral dat er veel kinderen meedoen, die allemaal hun ouders meenemen. Zij snappen best waarover het gaat, dat in een ander land kinderen worden vermoord.”
Voor Nederlandse kinderen is Hakim al veertien jaar 'die meneer uit Sesamstraat'. “Dan loop ik op straat en willen ze me in het echt aanraken.” Daarnaast bedenkt en speelt hij theaterprogramma's voor kinderen en volwassenen. Dit jaar gaat Traidia aan de slag met een cabaretvoorstelling.
“Voor kinderen speel ik niet anders dan voor grote mensen. Een paar weken geleden zaten zes Algerijnse kinderen wiens ouders waren vermoord bij mijn voorstelling. Ik zag hen lachen en haalde er een op het podium. Hij deed zo leuk mee in een mengelmoes van Arabisch en Frans. Soms denk ik dat ik de Algerijnse cultuur ontgroeid ben, maar dat kan niet als artiest. Met muziek en spel kun je iedereen bereiken.”
Het gesprek wordt even onderbroken voor de foto. Hakim wil er niet vrolijk opstaan. “Ik kan niet lachen als ik aan Algerije denk.” Hij staat op, trekt een plechtig gezicht en staart strak omhoog.
“Vroeger moesten we voor de Fransen zo op de foto. Met beide oren zichtbaar. Ik weet nog dat ik bij een douanehokje een pasfoto zag liggen, van een man met enorme flaporen die de slagboom gepasseerd was. Een Franse militair wees op de foto en zei: 'Die is dood, die zien we niet meer terug'.”
De Sesamstraat-clown groeide op in het door de Fransen bezette Algerije. Pas na een acht jaar durende strijd verkreeg het land in 1962 de onafhankelijkheid. Voor de jonge Hakim niet alleen maar feest, want nu vertrokken ook de Franse soldaten. “Ik en mijn broers speelden vaak bij de Franse wachtposten. Met de vriendelijke soldaat die ons op de nek nam en met soldaat 'Hou-je-kop' die altijd snauwde.”
Toch heeft hij ook minder plezierige jeugdherinneringen. “Eén woord bleef me achtervolgen: collaborateur. Zo heette de dode, bleke man die wij kinderen langs de weg aantroffen. Zo noemde een dorpeling mij eens toen ik Frans sprak met een soldaat, ik was vier jaar. En mijn broer schold me uit voor collaborateur nadat ik moeder had gewaarschuwd dat hij tijdens een beschieting op het dak was geklommen.”
“Ik wist niet eens wat collaborateur betekende, maar het klonk afschuwelijk. Zoals vroeger onder de Fransen gaat het nu weer. Steun je de ene partij, dan ben je voor de ander een verrader en omgekeerd. Dat gevoel zit er zo diep ingebakken.”
Als illustratie haalt hij de anekdote op over de bus die wordt aangehouden door een Algerijnse patrouille. De dronken chauffeur zegt tegen de soldaat: 'Als jullie jullie zijn, leve Allah. Maar als jullie jullie zijn, leve de president'.
Via de toneelacademie in Parijs kwam Hakim achttien jaar geleden naar Nederland. Hij woont in Haarlem, is met een Nederlandse getrouwd en heeft twee kinderen, Tarik (13) en Milet (4). Soms heeft hij het gevoel dat hij hier geboren is. Zijn laatste bezoek aan Algerije was in 1991, voor de begrafenis van zijn gedode broer. Maar daarover wil hij verder niets kwijt. Wel over de pogingen zijn moeder afgelopen zomer voor een vakantie naar Nederland te halen. Die strandden op een muur van bureaucratie.
“Ineens was ik weer die allochtoon. Zo'n woede en machteloosheid voelde ik tegen de ambtenarij. Ik vond dat ik in m'n recht stond en heb even overwogen de pers erbij te halen. Daar heb ik vanaf gezien, want er zijn duizenden Algerijnen zoals ik die hun familie willen zien. Uiteindelijk hebben we elkaar in Tunesië ontmoet.”
Ooit wil Hakim zijn eigen kinderen Algerije laten zien, als de oorlog achter de rug is. Nu moeten ze het nog doen met de verhalen. Over Simahmud bijvoorbeeld, de tovenaar uit het dorpje waar hun vader woonde. Hakim laat zijn stem dalen en vertelt: “Als hij door de straten liep, hoorde je van ver zijn schoenen. Zip, zip, zip . . . Hij had een baard en een tulband op en leek op Emile Zola. De mensen schreven hem wonderlijke toverkrachten toe. Ze zeiden dat hij bezeten was door een demonenvrouw, een dzjin. Op een keer liepen we in de korenvelden. Plotseling kwam de veldwachter ons achterna op zijn brommer. Wij rennen en rennen, rechtstreeks de heuvel op naar het huis van Simahmud. Die gaf ons te drinken en sprak de veldwachter boos toe. 'Heb jij nu gevochten tegen de Fransen? Daar geloof ik niets van. Want we streden toch opdat deze kinderen vrij in de velden kunnen lopen? Als je hen nog verder bedreigt, zul je nooit meer kunnen rennen'. En de voorspelling van Simahmud kwam dezelfde dag uit, want op de terugweg kreeg de veldwachter een ongeluk met zijn brommer.”
“Hoe het afliep met Simahmud?” Hakim kijkt op. “Het kerkhof onderaan de heuvel groeide steeds dichter naar zijn huis toe. Toen de graven tot bovenaan kwamen, stierf Simahmud. Bij mijn laatste bezoek aan Algerije heb ik het kerkhof nog gezien. Onvoorstelbaar zoveel doden als er bijgekomen waren. Dat gaat snel in Algerije, heel snel.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.