*

 
dossier

Archief

Ullrich: fysiek zijn tijd ver vooruit; nu nog een persoonlijkheid worden

JOHAN WOLDENDORP − 28/07/97, 00:00

PARIJS - Kampioenen zijn net doden. Over hen wordt niets dan goeds gezegd. Hele volksstammen verdringen zich rond Jan Ullrich om de nieuwe Tourwinnaar de hemel in te prijzen. Met een optie op nog vele jaren. Vooral fysiologisch schijnt de Duitser een fenomeen te zijn. Zijn tijd ver vooruit.

Het hart is uiteraard zijn motor. In rust is de hartslag 32 per minuut (bij Indurain was dat 28), in de Pyreneeën en Alpen kwam die niet boven de 198 uit. Heel opmerkelijk mag ook zijn herstelvermogen worden genoemd. Na een zware inspanning als het rijden van een bergetappe daalt de frequentie binnen vijf minuten tot 108 slagen per minuut. Zijn longinhoud is niet uitzonderlijk groot voor een topsporter (6,5 liter tegen 7 bij Indurain). In vol 'bedrijf' circuleert er 160 liter lucht per minuut door de ademhalingsorganen. Een toerfietser is blij als hij veertig liter haalt. Ideaal zijn ook lengte en gewicht voor de tak van sport die hij beoefent: 1,83 meter en 72 kilo. Ullrich heeft alleen aanleg om dik te worden. De afgelopen winter was hij tien kilo zwaarder dan nu.

Het is wel anders geweest. In 1986 bijvoorbeeld, toen hij als 13-jarig jochie graag naar de Kinder- und Jugendsportschule in Oost-Berlijn wilde, in navolging van zijn oudere broer Stephan. Jan Ullrich was eigenlijk drie maanden te jong (hij is op 2 december 1973 geboren) om toegelaten te worden, en liep, zo ontdekte zijn latere en huidige trainer Peter Becker, lichamelijk negen maanden achter. Daar kwamen nog eens groeiproblemen bij. Hij kreeg een aangepast programma, dat bestond uit meer spelvormen, kortere inspanningstesten en een minder zware belasting tijdens krachttrainingen. “Maar hij was enorm leergierig”, weet de gisteren 60 jaar geworden Becker zich nog al te goed te herinneren. En hij kon ondanks die fysieke beperkingen heel goed fietsen. Bij een jeugdwedstrijdje in Potsdam, in november 1986, keek Becker zij ogen uit. Het selectiesysteem bij Dynamo Berlijn, de eliteclub van het communistische land, was echter streng. Per jaar worden slechts tien junioren toegelaten. Ullrich was in '87 één van hen. In 1991 wist Becker zeker dat hij een klomp goud in handen had. Bij het maken van een zogeheten prestatiediagnose trad aan het licht dat zich bij de voorheen zo kleine, niet volgroeide Ullrich een fysiologische metamorfose had voorgedaan. Sindsdien achterhaalt hij voortdurend allerlei wetmatigheden. In 1993 werd hij wereldkampioen amateurs, in 1996 eindigde hij als tweede in de Tour de France. Door ziekte in het voorseizoen was hij aanvankelijk niet eens geselecteerd. In de Ronde van Zwitserland van dat jaar dwong hij toch zijn plaats af. Het was een leerjaar, hij zou slechts meefietsen tot de Alpen en zich daarna voorbereiden op de Olympische tijdrit in Atlanta. Het verdere verhaal is bekend. “We wilden het niet forceren,” vertelde ploegleider Godefroot na de passage door de Alpen. “Ik wist dat hij in het middengebergte één van de besten was, maar wat hij op meer dan 2000 meter hoogte liet zien, verbaasde mij in hoge mate. Daarna verraste hij mij dag na dag. Het uiteindelijke resultaat was ongelooflijk.”

In de Pyreneeën legde Ullrich de basis voor de Tourzege van dit jaar. Op weg naar Loudenvielle hield hij zich in om zijn kopman Riis bij te kunnen staan, maar in Andorra ging hij volledig zijn eigen gang. De vermoeidheid straalt niet van zijn gezicht. Waar anderen op de pedalen staan tijdens de beklimming, blijft Ullrich doorgaans stoïcijns aan het zadel gekleefd. “Ik lijd ook heus wel en ga net als de anderen tot het eind van mijn krachten, maar dat zie je haast niet”, zegt hij bescheiden.

De laatste Tourweek was niet zijn beste. Richard Virenque, de enige die zijn positie niet onaantastbaar achtte, loste hem in de Alpen en de Vogezen een paar keer, maar met behulp van zijn ploeggenoten kon hij de schade bijtijds herstellen. In de tijdrit van zaterdag, die overigens door Abraham Olano werd gewonnen, herhaalde Ullrich bijna het stuntje van Saint-Etienne, toen hij Virenque inhaalde. De bergkoning bleef hem nu een handjevol seconden voor. Dat wil zeggen: hij verspeelde iets minder dan drie minuten.

Na afloop wilde hij nog steeds niet hardop in de eindzege geloven. Hij kon nog altijd vallen; zijn grootste angst de afgelopen drie weken. Voor vermeende concurrenten was hij nooit bang geweest. Godefroot: “Op de fiets is Jan geen moment in paniek geweest.”

Het maagkwaaltje van de voorbije dagen valt daarom eerder terug te voeren op een psychische dan een lichamelijke ongesteldheid. Daarin schuilt ook zijn (enige) zwakke punt: hij zag huizenhoog op tegen de dagelijkse persconferenties, de interviews op televisie, het schrikbeeld van een Riesen Radsport-boom, zoals hij het omschreef, in Duitsland; kortom alle aandacht voor zijn persoon. “Ik kan me dat heel goed voorstellen”, zegt Erik Dekker, die zaterdag in de tijdrit op minder dan twee minuten van Ullrich finishte. “Als het mij zou overkomen, zou ik er onderdoor gaan. Dat soort zaken kost ongelooflijk veel energie.”

“Hij zal er mee moeten leren omgaan”, stelt Godefroot vast. “Want dat hoort allemaal bij zijn nieuwe status. Ik zou de druk wel van de ketel willen halen, maar dat gaat niet. Het baart mij wel zorgen. Voor de traditionele wielerpers ben ik niet bang. Maar er komen nu allerlei journalisten op ons af die ik nog nooit eerder heb gezien. Duitse cameraploegen volgden Jan tot op het toilet. Is er dan helemaal geen respect meer voor een renner? Er bestaan echter nauwelijks afweermechanismes tegen. Binnen de ploeg lopen allemaal goede mensen om hem heen. Wat moet ik nog meer doen? In quarantaine plaatsen?”

In dat kader noemt Godefroot Peter Becker nog de minst gevaarlijke intrigant. De Belg zal Ullrich niet van hem isoleren, maar ook nooit toestaan dat zijn privé-trainer een functie in de Telekom-staf krijgt. Voor zijn persoonlijkheidsvorming noemt de Tourwinnaar zijn leermeester van onschatbare waarde. Toen Ullrich voor de val van de Berlijnse muur in november 1989 op de klassieke manier langs regenpijpen uit het internaat ontsnapte om stiekem naar de Tour de France te kijken, vond Becker dat begrijpelijk en ook zinvol. “Wanneer dat uitlekte, moest ik straffen, maar dat had alleen een formele reden. Ik vond dat Jan gelijk had. Voor een wielrenner uit de DDR was het heel belangrijk om te weten dat er meer was dan de Vredeskoers. Zelf was ik ook bijzonder geïnteresseerd in de trainingsmethoden van Hinault.”

Journalist Manfred Hönel, destijds in de DDR buurman van Becker, over de betekenis van de Tourzege van Ullrich voor het vroegere Oost-Duitsland. “We waren natuurlijk vertrouwd met grote kampioenen in ons midden. Maar de Tour was iets mystieks. Je wist dat het bijzonder was, iets groots, doch het zou voor ons altijd een fenomeen uit een andere wereld blijven. Jan heeft aangetoond dat ook renners uit de oude DDR-school de grootste wedstrijd ter wereld kunnen winnen.”

De Oost-Duitse 'doctrine' zit Godefroot eigenlijk nog het meeste dwars. “Jan heeft een bijna militair regiem achter de rug. De overgang naar het westerse middel is moeilijk geweest.” Ullrich: “Ik was gewend altijd naar Peter te luisteren. Als prof moet je van het ene moment op het andere alles alleen doen. Dat kostte me moeite. Ik kan dat eigenlijk ook niet. Dankzij Peter ben ik op het goede moment in goede doen.”

Theo de Rooy zou het type prof als Ullrich meteen in zijn armen sluiten. Van de tijd dat hij assistent-ploegleider bij Peter Post was, herinnert De Rooy zich nog dat de jonge Ullrich een fiets bij mecanicien Jan Le Grand bestelde. “Hij is een exponent van de DDR-school: heel goed trainbaar en coachbaar, zeer gedisciplineerd. Ludwig, Zabel en Ullrich zijn voor een ploegleider een droom om mee te werken.” Is hij meteen de exponent van een uitstervend ras? “De aanpak verwatert helemaal,” weet De Rooy, “maar er loopt in ieder geval nog één talent rond uit dat oude systeem: ene Stephan Schreck, een jongen die net amateur is geworden.”

mailIcon print |