Het paradoxale van het theoretisch taalkundige onderzoek is dat taalvormen waar de taalgebruiker grote moeite mee heeft, zich meestal uitstekend laten beschrijven, terwijl de 'gemakkelijke' taalvormen die iedereen achteloos hanteert, de theorie voor grote problemen stellen. Zo is de betekenis van het woordje 'het' tot nu toe in de taalkunde allerminst bevredigend verklaard.
Afgelopen vrijdag promoveerde taalkundige Kirsten Romijn aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift 'Hoe doen we het? Verwijzen naar linguïstische en cognitieve representaties met het voornaamwoord het'. Iets eenvoudiger gezegd: op een onderzoek naar de wijze waarop in de Nederlandse schrijf- en spreektaal het woordje 'het' gebruikt kan worden. Nog simpeler: op het woordje 'het'.
Een heel proefschrift van zo'n kleine tweehonderd pagina's over een woordje van drie letters, dat in de spreektaal ook nog vaak onbeklemtoond en gereduceerd wordt uitgesproken, dat is wel heel erg gespecialiseerd. De taalkunde echter is een wetenschap als alle andere. Zij stelt zich ten doel de wereld om ons heen te begrijpen en nader te verklaren. Zo'n verklaring kan pas opgesteld worden na een nauwkeurige beschrijving van de verschijnselen. Het woordje 'het' behoort tot de meest frequente woorden in het alledaags taalgebruik. Het ligt voor de hand dat een zorgvuldige bestudering van juist dit onopvallende woordje ons veel kan leren over de manier waarop de taal in ons doen en laten verankerd ligt.
Het woordje 'het' wordt in het Nederlands op twee manieren gebruikt: als lidwoord ('het huis'), en als voornaamwoord ('Ik zie het'). Romijn onderzocht dat tweede, zelfstandige gebruik. Volgens de klassieke grammatica staat het woordje 'het' in dat geval in plaats van een naamwoord. In feite is de term van deze opvatting afgeleid: vóór-naamwoord.
Klassiek slaat het woordje 'het' altijd terug op een element dat eerder in de zin of in het gesprek genoemd is. In de zin 'Heb je het boek bij je of ligt het nog thuis' verwijst het tweede woordje 'het' naar de naamwoordgroep 'het boek'. Beide elementen dienen overeen te stemmen in persoon, getal en geslacht. Een uiting als 'Heb je die roman bij je of ligt het nog thuis' is dan ook niet adequaat.
De samenstellers van de Algemene Nederlandse Spraakkunst - de ANS, het standaardwerk waarin de Nederlandse en Vlaamse overheid de grammatica van het Nederlands hebben laten vastleggen en waar Romijn rechtstreeks bij betrokken is geweest - stelden al vast dat deze opvatting tekort schiet. In sommige gevallen lijkt 'het' te verwijzen naar een naamwoord dat niet in persoon, getal of geslacht overeenstemt. In een zin als 'Ken jij die man of is het een vreemde voor je?' verwijst 'het' naar 'die man', en in een uiting als 'Ik ging naar de kermis en ik vond het maar een dooie boel' verwijst 'het' naar 'de kermis'.
Daarnaast zijn er gevallen bekend waarbij 'het' verwijst naar een hele voorafgaande zin ('Sander is ontslagen, maar hij vindt het onterecht'), of naar delen van de zin ('Dick verbouwt zijn huis en Piet doet het ook'). Ten slotte bestaan er zinnen waarin de verwijzing van 'het' alleen uit de context kan worden afgeleid ('Je moet niet tegen de wind in spugen want dan kan het in je gezicht terugwaaien'), of waarin de verwijzing niet duidelijk omschreven kan worden ('Het regent' of 'Het botert niet tussen die twee').
Samenspel
Voor een verklaring van alle verwijsmogelijkheden van 'het' is alleen datgene wat gezegd is duidelijk niet voldoende. Daarom stelt Romijn, in aansluiting op onderzoek uit de cognitiewetenschap, de wetenschap die zich bezighoudt met de kennisverwerking in de menselijke geest, dat naast het talige begripsniveau de aanname van nog een tweede niveau noodzakelijk is: het cognitieve niveau.
Volgens deze theorie is menselijke communicatie het best te beschrijven als een samenspel van verschillende begripsniveau's. Op het cognitieve niveau maken we ons een voorstelling van de personen, de dingen en de gebeurtenissen in onze omgeving en hun eigenschappen. Dit cognitieve begripsniveau wordt gevoed vanuit verschillende bronnen: vanuit onze waarneming (het perceptieve register), vanuit onze kennis (het kennisregister), en vanuit de communicatie (het linguïstische register).
De gesprekken die we voeren, of de teksten die we lezen, zijn aanleiding voor veranderingen in het cognitieve begripsniveau. Als in een gesprek een uiting valt als 'Ik ben gisteren naar een vergadering geweest', dan wordt op het cognitieve niveau onder andere het object 'een vergadering' opgeroepen. Onze kennis van de wereld geeft aan dit object een complexe invulling. We weten dat er bij een vergadering sprake is van meerdere participanten, gewoonlijk is er een voorzitter, een notulist, er kan een agenda zijn.
Al deze zaken zijn op hetzelfde moment op ons begripsniveau sluimerend aanwezig. Een verwijswoordje als 'het' kan op dit complex van factoren aangrijpen. Men kan bijvoorbeeld vervolgen met 'Het was allemaal zeer interessant'. In dat geval verwijst 'het' naar de verschillende discussies die onderdeel waren van de vergadering.
Op dezelfde wijze kan 'het' verwijzen naar een object dat niet genoemd of zichtbaar is, maar toch afgeleid kan worden uit de context. In de zin 'Spuug niet tegen de wind in want het kan terugwaaien' verwijst 'het' naar het resultaat van het spugen. Dit resultaat is niet op het talige begripsniveau aanwezig, maar wordt op het cognitieve niveau opgeroepen door onze kennis van de wereld.
Zelfs waar 'het' schijnbaar geen betekenis heeft, kan er op het cognitieve begripsniveau nog wel een complex van factoren worden aangewezen waar 'het' op terugslaat. Zo kan men in de zin 'Remko was de vorige week op vakantie in Schotland maar het regende de hele tijd' beargumenteren dat 'het' op de een of andere manier aansluit op Remko's vakantie in Schotland die zojuist op het cognitieve niveau is opgeroepen.
Daarmee is echter niet alles gezegd, aldus Romijn. Na een uitgebreide inventarisatie van alle verwijsmogelijkheden van 'het' laat ze er één bewust buiten beschouwing: de meervoudige verwijzing - die is te ingewikkeld. En daarmee blijft een oud probleem in de taalkunde, een verklaring van de verwijsmogelijkheid als in de zin 'Ik ken die mensen niet maar het zijn volgens mij aardige lui', onopgelost.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.