*

 
dossier

Archief

Wel bevoegd maar geen gezag (2)

WILLEM BREEDVELD − 08/10/97, 00:00

Wie de verbale krachtpatserij tussen de Rotterdamse korpsbeheerder Peper en korpschef Brinkman enigszins heeft gevolgd (en wie heeft dat niet?), weet eigenlijk al sinds woensdagavond 5 juni waar het in dit conflict in essentie om draait. Op die datum verscheen Peper in hemdsmouwen in het Journaal met een boodschap aan Brinkman die maar op een manier kon worden uitgelegd en waarmee hij zo in een klassieke Western had kunnen figureren: This town is too small for both of us.

Wat we sindsdien meemaken past in het vervolg. Omdat de twee helden tot geen prijs bereid zijn een stap terug te doen, resteert als enige mogelijkheid elkaar af te maken. Inmiddels is Brinkman zwaargewond (want ontslagen), maar nog zeer wel in staat om terug te schieten. Zijn laatste schot: Peper zal zijn excuses moeten aanbieden omdat hij in een eerder stadium van het gevecht Brinkman had afgeschilderd als 'psychisch ongeschikt' en 'in de ban van een goeroe'.

Kenners van het ambtenarenrecht zijn geneigd deze stap van Brinkman te zien als een poging een zo hoog mogelijke schadeclaim toegewezen te krijgen. Dat zal hem langs deze weg misschien ook wel lukken, want eerder al heeft de kortgedingrechter deze kwalificaties uit Pepers rapport 'uiterst subjectief en suggestief' genoemd. Tegelijkertijd gaat het Brinkman echter om oneindig veel meer. Hij wil publieke genoegdoening in de vorm van een vernedering van Peper.

Het is frappant hoe haarfijn Peper aanvoelt dat de generaal wel eens in deze opzet zou kunnen slagen ook. In een interview in de Volkskrant van afgelopen zaterdag slaat hij wild om zich heen. Woedend is hij dat minister Dijkstal en de Tweede Kamer hem inmiddels de schuld lijken te geven van de affaire. Hij noemt het een onaanvaardbare versimpeling van de werkelijkheid. Maar ook Peper erkent: “Dat Brinkman vasthoudend was en van een solide gereformeerde achtergrond, wisten we. Maar dat hij erin slaagt maandenlang de zwakten van bestuurlijk Nederland zo genadeloos bloot te leggen, is fascinerend.”

Dat is niet alleen fascinerend, het is vooral ook onthutsend. Met deze observatie legt Peper de vinger op de gevoelige plek, namelijk dat er achter dit conflict een gezagscrisis schuilgaat van jewelste. In een klap laat hij zien dat het allerminst toevallig is dat in de Nederlandse verhoudingen de korpsbeheerder en de korpschef zich gedragen als twee bosses voor wie in één stad geen plaats is.

Eigenlijk wisten we dat al. Wie herinnert zich niet de mannetjesmakerij van al die hoofdcommissarissen van politie. Zij leken het beleid te bepalen. Zij losten schoten voor de boeg. Zij zetten de politiek onder zware morele druk. Achter hun brede rug ontwaarden we ternauwernood de trekken van het echt bevoegde gezag, de politiek verantwoordelijken. Burgemeesters als Van Thijn te Amsterdam en Havermans te Den Haag leken er niet toe te doen. Zij verklaarden slechts het beleid van hun 'chefs' ten volle te steunen.

Tot ook deze chefs met de IRT-affaire een gevoelige knauw kregen en de politiek zich gedwongen zag terug te vechten, het gezag weer het gezag te doen zijn. Niet voor niets hamert Peper en hamert ook adviseur Klaas de Vries in zijn recente rapport op het gewicht van het 'bevoegd gezag', i.c. dat van de korpsbeheerders. Vanuit dit nieuwe perspectief krijgt Brinkman ineens onder uit de zak. Hij had het gewaagd het bevoegde gezag aan zijn laars te lappen.

Dat is in zoverre een juiste constatering dat dit 'gezag' wel bevoegd was, maar voor het overige gezag miste. Wie dat, zoals Peper, in één klap recht wil trekken heeft een probleem, namelijk dat zo'n stad al gauw te klein is voor twee bosses.

mailIcon print |