DEN HAAG - In 1968 beleefde Maarten van Traa als student de mei-revolte in Parijs tegen het gezag van de Vijfde Republiek, een opstand waarbij hij zich betrokken voelde. Bijna dertig jaar later stelt hij als voorzitter van de enquêtecommissie vast dat verstoorde gezagsverhoudingen aan de basis staan van de ontspoorde praktijk in de bestrijding van de zware misdaad.
Van Traa glimlacht om de persoonlijke wenteling die hij ogenschijnlijk in de waardering van het gezag heeft gemaakt. “Dat is echt schijn, hoor. Als juridisch student had ik in 1968 dezelfde opvattingen over de democratie en de rechtstaat als nu. Het gezag moet onderdeel uitmaken van die democratische staat.”
“Maar op zich ben ik het met u eens dat de verwaterde gezagsstructuur een kernpunt in ons rapport is, op drie punten. In de eerste plaats wijten wij de crisis in de opsporing aan het feit dat er geen duidelijke regels zijn, waardoor het de betrokken functionarissen te gemakkelijk werd gemaakt hun eigen regels te stellen. Ach, waarom zouden we niet meteen tien kilo coke doorvoeren? Die sfeer.”
“In de tweede plaats wist men in de opsporingsorganisatie te weinig van de hoed en de rand. Daardoor ontstond een te groot verschil in opvattingen over wat wel en wat niet kan tussen, bijvoorbeeld, officieren van justitie en politiemensen. En tot slot blijken officieren niet in staat te zijn geweest hun gezag over de politie te doen gelden. Politiemensen gingen hun eigen gang of negeerden opdrachten. Dat doen we gewoon niet.”
“Die verstoorde gezagsverhouding werd belichaamd door Nordholt, de Amsterdamse korpschef, die in vrij grove bewoordingen liet blijken het gezag van Van Randwijck, de procureur-generaal, niet te erkennen. In het algemeen geldt dat de korpschefs teveel hun eigen positie bepaalden, alsof zij bij de opsporing niet ondergeschikt zijn aan de minister, de korpsbeheerders en de officieren van justitie.”
De paradox is dat de gezagsverhoudingen verstoord zijn geraakt onder ministers die zeer aan gezag hechten, Korthals Altes en Hirsch Ballin. Hebben zij met de oorlog die zij tegen de zware misdaad uitriepen niet de sfeer opgeroepen waarin iedereen dacht zijn gang te kunnen gaan?
“Die missie is te zwaar gaan tellen. De aandacht is eenzijdig op de georganiseerde misdaad gericht, hetgeen ik ik overigens wel begrijp met zo'n nieuw verschijnsel. Ik hoop dat ons rapport zal bijdragen aan het vinden van een nieuw evenwicht tussen de belangen van de rechtsstaat versus die van de opsporing.”
U spreekt begrip uit voor die eenzijdige aandacht voor de georganiseerde misdaad. Is de politiek daarmee vrijgepleit?
“Nee, zeker niet. Dat blijkt wel uit de kritiek die wij hebben op het gebrek aan controle door de Kamer op de opsporingsmethodes. Controle was er eigenlijk niet. En hoewel de Kamer slecht geïnformeerd was, heeft zij wel gemeend haar ontstemming over de opheffing van het IRT te kunnen uitspreken. Misschien had dat oordeel anders geluid als zij wel adequaat geïnformeerd was geweest.”
Kan dat nieuwe evenwicht dat u wenst tussen de eisen van de rechtsstaat en de bevoegdheden van de politie niet ten koste gaan van de slagkracht van de politie? Er zit spanning tussen die vereisten.
“Dat is zo, maar hoe dan ook moet de politie wel volgens de regels werken, want als zij dat niet doet, begeeft zij zich op het niveau van degenen die zij bestrijdt en dan gebeuren er ongelukken. Wij willen echt Bromsnor niet terug, maar het moet in de opsporing wel duidelijk zijn wat mag en wat niet mag. Met martelen kun je heel wat bekentenissen loskrijgen en ook een misdadiger in de gracht duwen is effectief, toch doen we dat niet doen. Om hele goede redenen.”
Het vinden van dat evenwicht zal, naar zich laat aanzien, het discussiepunt worden. Het CDA-Kamerlid Hillen waarschuwt nu al dat de politie voldoende armslag moet houden: de politie mag niet met een pleister en een nat washandje op pad. En het commissielid van het CDA, Koekkoek, laat in een minderheidsstandpunt blijken dat ook hij bevreesd is de politie de handen te binden.
“Ja, dat wordt hèt discussiepunt. Trouwens, Koekkoek wil de politie een ietsje meer, niet meer dan dat, toestaan dan de commissie. Koekkoek heeft geen oppositierol gespeeld in de commissie. Ik heb de indruk dat geen enkel commissielid ooit met zijn eigen fractie contact heeft gehad over het standpunt dat hij moest innemen.”
Is dat nog een zware klus geweest, het bijeenhouden van de commissie? U ging van start met een commissie met twee vertegenwoordigers van fracties, CDA en VVD, die de enquête niet wilden.
“De discussie in de commissie heeft ons gauw bij elkaar gebracht. Je kunt onze positie vergelijken met die van een jury in de Amerikaanse rechtsspraak. We moesten binnen blijven tot we het eens waren. Dan wordt wel eens iemand boos, maar zware verdeeldheid hebben we niet gekend. Het probleem is wel dat je in zo'n situatie, als je eens kwaad bent, nooit bij buitenstaanders kunt toetsen wat zij ervan vinden, wat je normaal als politicus bijna dagelijks doet.”
Zoals de VVD'er Joekes, lid van de RSV-commissie, destijds zei toen een ander lid vertrouwelijke informatie met VVD-fractievoorzitter Nijpels had besproken: 'Over de discussie in de commissie praat je niet met je vrouw, niet met je hond en niet met je fractievoorzitter, in die volgorde.'
“Tja, ik heb geen hond, of ik een vrouw heb gaat niemand wat aan en, inderdaad, met mijn fractievoorzitter heb ik al die tijd niet gesproken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.