*

 
dossier

Archief

'Overheid kan beter nu in onderklasse gaan investeren'

HANS MARIJNISSEN − 27/05/95, 00:00

LELYSTAD - Natuurlijk, als gevangenisdirecteur J. van den Berg van de nieuwe penitentiaire inrichting in Lelystad zichzelf als leider van een bedrijf ziet, kan hij wel blij zijn met de booming bussiness die het gevangeniswezen momenteel is. Maar de sterke toename van het aantal cellen, heeft ook een andere kant, zegt Van den Berg. En daar moet nodig eens over gesproken worden.

De directeur van de nieuwe koepelgevangenis in de polder zou graag een brede discussie willen over de celcapaciteit in Nederland. Jarenlang lag het aantal Nederlandse cellen onder dat van andere Westeuropese landen. Maar de capaciteit is de afgelopen jaren verdubbeld, zal de komende jaren de 14 000 bereiken, en Nederland loopt dan gelijk met de buurlanden. Maar dan nog zullen er niet genoeg gevangenissen zijn. “Je kunt doorgroeien”, zegt Van den Berg. “In de VS hebben ze 2,5 keer zoveel cellen per honderdduizend inwoners. Als Nederland die neerzet, komen ze waarschijnlijk nog vol ook. Het is alleen de vraag of we dat willen.”

Op dit moment reageert de politie te zeer op incidenten, vindt de directeur. De burgemeesters willen dat de straatcriminaliteit wordt aangepakt, dus komen er duizend cellen bij. De politie klaagt over een toename van het aantal heenzendingen, dus praat de Kamer weer over extra geld voor het gevangeniswezen. “Maar misschien zou het goed zijn af te spreken eens even niet meer te bouwen, het aantal cellen te fixeren, om zo duidelijk te krijgen wie van het overaanbod nu pe se achter tralies hoort, en voor wie er misschien een alternatief is.”

Zonder meer verder bouwen is volgens Van den Berg een heilloze weg. “Wie beantwoordt nu eens de vraag hoeveel cellen we in Nederland nodig hebben? Er worden steeds meer zaken en handelingen strafbaar gesteld, iedereen doet in zijn leven wel iets strafbaars. Maar ik denk dat we ons eens bezig moeten gaan houden met de ethische vraag, wat we nu echt zo erg vinden, dat daar per se celstraf op moet volgen.”

Wat harder gesteld pleit Van den Berg voor het schrappen van een aantal artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, of het vervangen van celstraffen door boetes of dienstverlening. Waar denkt hij aan, wil hij de handel in drugs gelegaliseerd zien, moet justitie anders omgaan met verkeersdelicten? “Ik kan daar geen antwoord op geven, dat is zo ingewikkeld. Ik geef alleen aan, dat daar een debat over moet worden gevoerd, en dat is niet alleen een verantwoordelijkheid van het ministerie van justitie, maar van het kabinet en de Kamer. We zullen gezamenlijk een antwoord moeten vinden op de groeiende criminaliteit.”

Soms denkt Van den Berg met enige weemoed terug aan de jaren zeventig. “Je kunt je achteraf afvragen of er toen de juiste beslissingen zijn genomen, maar toen was er tenminste sprake van visie. Onder Den Uyl zijn de inspanningen vergroot in de samenleving crimineel gedrag te voorkomen. Die discussie zou ik zo graag terug willen. Ik zie bijvoorbeeld dat er een heel duidelijke onderklasse gaat ontstaan in die multi-culturele samenleving van ons.”

“Ik persoonlijk vind die vermenging van culturen fantastisch, maar ik denk wel dat we nieuwkomers goed moeten opvangen en begeleiden. Op dit moment bestaat 40 tot 50 procent van de gedetineerden uit 'allochtonen', maar als er in de samenleving niets gebeurt, zal dit aandeel in de gevangenispopulatie toenemen tot 90 procent. Het is beter nu in die groepen te investeren, dan over tien jaar in een uitbreiding van het aantal cellen. Met cellen bestrijd je de criminaliteit niet.”

Een andere ontwikkeling die zorgt voor een overaanbod van verdachten en veroordeelden, is de sluiting van veel psychiatrische instellingen, zegt Van den Berg. “De ziekenhuizen gingen dicht, en de mensen die hulp nodig hadden moesten maar ambulante zorg zoeken, maar de wachtlijsten zijn zo lang, dat de cliĆ«nten pas in aanmerking voor 'hulp' komen, zodra ze strafbare feiten plegen. Kijk, dit is geen zaak voor justitie alleen, we zullen ons als samenleving moeten bezinnen op de vraag wat we met deze groep 'delinquenten' willen.”

De 45-jarige Van den Berg staat binnen de vereniging van gevangenisdirecteuren bekend als gematigd, maar dreigde na zijn toespraak bij de opening van de nieuwe inrichting als hardliner bestempeld te worden. Hij liet weten dat er boven de ingang van zijn koepelgevangenis de tekst 'Hier zitten geen slachtoffers, maar daders' zou moeten hangen. “Ik bedoel daarmee dat als iemand in de bajes terechtkomt, half hulpverlenend Nederland zich op hem stort, en er zo veel om hem heen gebeurt dat-ie heel gemakkelijk rechtvaardiging vindt voor dat wat hij heeft gedaan. En dat maakt het voor ons moeilijk om tegen hem te zeggen dat-ie zelf verantwoordelijk is, ook in de bajes.”

De uitspraak ontlokte reacties, als zou Van den Berg een kille no-nonsense directeur zijn, zonder oog voor de situatie van gedetineerden. “Ik denk dat velen mij verkeerd hebben begrepen. Zeker is het goed stil te staan bij de 'moeilijke jeugd' van een delinquent, de mogelijke psychische stoornis, en hulpverleners en reclassering moeten er voor de rechter alles aan doen om verzachtende omstandigheden naar voren te brengen. Een rechter zal daar ook rekening mee houden. Niemand krijgt dezelfde straf, omdat ieder delict en elke dader anders is. Maar als de veroordeling daar is, denk ik dat er een streep onder dat verleden moeten komen, en een veroordeelde met hulpverleners en eventueel geestelijk verzorgers naar de toekomst moet kijken. Hij zal verantwoordelijkheid moeten nemen, zich aan afspraken moeten houden.”

“De nota Werkzame Detentie gaat er van uit dat gevangenen werken tijdens hun verblijf achter tralies, en anders maar op cel moeten blijven. Ik kan me daar goed in vinden. Ook in de gevangenis blijft de delinquent in mijn ogen dader, in die zin dat hij dingen zal moeten doen om in de toekomst nieuw crimineel gedrag te voorkomen. Ik ben realist genoeg om niet uit te gaan van de verwachting, dat alle gevangenen geresocialiseerd kunnen worden. Tachtig procent ziet de detentie als een beroepsrisico. Maar ik tel wel de zegeningen. Ik weet dat voor velen de tijd in de gevangenis toch een tijd van bezinning is. Ze zien hoe belangrijk hun relaties zijn, hun gezondheid, en ze halen de banden met thuis aan, en zorgen dat ze clean worden. Een enkeling lukt het dat gedrag na de detentie voort te zetten. Maar dat kan alleen, als ze ìn de gevangenis op hun verantwoordelijkheden zijn gewezen.” Vandaar dus dat bord boven de ingang.

mailIcon print |