*

 
dossier

Archief

MARIO VAN DER ENDE

RUUT VERHOEVEN − 07/02/98, 00:00

“Ik zal altijd een liefhebber blijven. Ik heb van mijn hobby min of meer mijn beroep gemaakt, maar als je gevraagd wordt om naar een WK te gaan, beschouw ik dat niet als de normaalste zaak van de wereld. Dan reageer ik spontaan en heel uitgelaten. Kijk, je houdt er natuurlijk wel rekening mee dat je wordt uitverkoren. Ik zat tenslotte al bij de beste 32 van Europa. En afgaande op de internationale wedstrijden die ik de laatste tijd heb gefloten, wist ik dat het goed zat.

Of ik zwaar teleurgesteld zou zijn geweest als ik niet gevraagd was? Ja, vanzelfsprekend stort je wereld dan wel even vijf minuten in. Maar in de sport moet je ook kunnen omgaan met teleurstellingen. In de buurt van Kijkduin heb je heel mooie duintoppen waar je even heel erg van je af kunt schreeuwen. Een kater verwerken hoort bij het leven.

Eind vorig jaar moest ik Italië - Engeland fluiten. Een dag ervoor overleed mijn oma. Die vrouw heeft een heel belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Ze stond altijd voor me klaar. Nee, ik heb niet overwogen te bedanken voor die wedstrijd. Mijn oma zou ook het liefst gewild hebben dat ik die wedstrijd gewoon zou fluiten. 'Doe je best en maak er het beste van', zei ze altijd. Toch liep ik kort voor het begin van de wedstrijd vlakbij de middenstip even aan haar te denken.

Fluiten is alles voor mij. Zo baal ik er ontzettend van dat ik dit weekeinde geen wedstrijd heb. Een weekend niet gefloten, betekent voor mij een weekend niet geleefd. De afspraak is dat de Nederlandse topscheidsrechters in principe elk weekend een wedstrijd toegewezen krijgen. Maar omdat ik dit weekeinde eigenlijk naar Mallorca had gemoeten vanwege een cursus voor Europese topscheidsrechters, hebben ze me niet ingeroosterd. Die trip gaat nu voor mij niet door omdat ik straks naar het WK ga. Dus had ik alle tijd om dit weekeinde te fluiten.

Financieel kan het allemaal nog wat beter. We krijgen nu tweeduizend gulden bruto. Daar mag wel wat bij. Drieduizend gulden netto voor een wedstrijd, dan komen we aardig in de buurt. Nu moet ik bij Schoevers een cursus management aan sporters erbij geven om rond te komen. Vorige week zijn we op trainingskamp geweest in Zuid-Spanje met alle scheidsrechters en assistent-scheidsrechters. Zijn er toch nog vijftien die niet mee kunnen, van wie veertien vanwege werkverplichtingen. Dan zie je, dat het nog steeds niet professioneel genoeg is. Natuurlijk zorg ik ervoor dat ik straks in topconditie naar Frankrijk ga. Tijdens de winterstop liep ik al met trainingsschema's van inspanningsfysioloog Jos Geijsel onder m'n arm. Hij neemt me tot aan het WK drie keer een fysieke test af. Buiten de wekelijkse regionale trainingen van de KNVB ga ik vanaf komende week met oud-scheidsrechter/trainer Evert Wijers aan de slag. Daarnaast train ik nog twee keer per week op het KNVB-complex in Zeist.

Zo zwaar als de voorbereiding op het WK in Amerika, vier jaar geleden, zal het nu wel niet worden. Destijds heb ik regelmatig met vuilniszakken om m'n lijf en met een ijsmuts op mijn hoofd getraind in een sauna: rennen op een loopband. Om te wennen aan de omstandigheden in Amerika. Dat was zweten, zweten en nog eens zweten... Maar het betekende wel dat ik tijdens het WK geen seconde in de problemen ben geweest. Ik voelde me verschrikkelijk sterk. Heb daar drie heerlijke wedstrijden gefloten.

Als ik vooraf mag kiezen tussen het fluiten van de WK-finale en verder niks of drie wedstrijden, dan kies ik voor het laatste. Eerlijk waar. Het komt zelden voor dat je op een WK drie wedstrijden mag fluiten. Dat geeft een heel voldaan gevoel. Natuurlijk wil ik zo goed mogelijk presteren. Je probeert als sportman zo ver mogelijk te komen. Dat geldt voor het Nederlands elftal, maar ook voor Mario van der Ende. Oké, als Oranje de kwartfinales haalt, is het voor mij over en sluiten, dan moet ik naar huis. Maar waarom zou ik niet mogen hopen op de finale?

Ik hoor vaak dat scheidsrechters ijdel zijn. Maar als je ziet hoe ik m'n tas inpak, kun je toch moeilijk volhouden dat ik ijdel ben. De grensrechters - eigenlijk moet ik zeggen assistent-scheidsrechters, want zo heten ze tegenwoordig - liggen altijd in een deuk als ze zien hoe ik met mijn spullen omga. M'n tas pak ik meestal een dag nadat ik gefloten heb alweer in voor de volgende wedstrijd. De vuile spullen gaan dezelfde dag nog de was in en de volgende dag weer schoon de tas in. Nee, strijken doe ik nooit. Vind ik niet nodig.

Er gaan altijd zes shirts met korte mouwen mee. Waarom korte mouwen? Gewoon, daar voel ik me het lekkerst in. Ik heb alle mogelijke kleuren: grijs, geel, lila, groen. Welke ik aantrek, hangt af van de kleuren waarin beide ploegen spelen. Onder mijn shirt draag ik altijd twee T-shirts. Die heb ik gekregen toen ik elf jaar geleden naar het betaalde voetbal ging. De gaten zitten er inmiddels in, maar dat hindert niet.

Wat ik verder meeneem? M'n trainingspak, twee paar kousen, twee paar schoenen, een met lange noppen en kunstgrasschoenen. Verder neem ik een handdoek mee, badslippers, een tasje met gele kaarten, rode kaarten en een fluit natuurlijk. Tot het Europees kampioenschap in Engeland, anderhalf jaar geleden, floot ik met een fluitje van dertig cent. Dat heb ik nog gekocht in een speelgoedwinkel toen ik twintig jaar geleden begon als scheidsrechter. Tijdens het EK kregen alle scheidsrechters een nieuw fluitje. Jan Dolstra, mijn vroegere grensrechter bij internationale wedstrijden, zei na afloop van de wedstrijd tegen me, zonder te weten dat ik een nieuw fluitje had: 'Ik hoor je beter dan anders. Heb je soms een nieuwe fluit?' Overigens, dat fluitje van dertig cent zit nog steeds in mijn tas, hoor. Als een soort trofee.

Op de dag van een wedstrijd eet ik 's morgens een bordje aardbeienyoghurt als ontbijt. Vaste prik. Vervolgens loop ik even naar Kijkduin. Kom ik langs een broodjeszaak. Eet daar een broodje, maak een praatje. Dan is het een uur of tien, half elf. Als ik terugkom, rijden we rustig richting stadion. Meestal gaat er een familielid van me mee, die rijdt. Ik wil minimaal twee uur voor de wedstrijd aanwezig zijn om niks aan het toeval over te laten. Het jongste nummer van het weekblad Voetbal International ligt binnen handbereik. Ik kijk altijd even naar de opstellingen van beide teams, naar de geschorsten en de geblesseerden. Die kennis heb je in je achterhoofd. Maar elke speler begint bij mij op nul aan een wedstrijd, ook de zogenaamde moeilijke jongens die vaak tegen een gele kaart oplopen.

Drie kwartier voor de wedstrijd ga ik de kleedkamer in. Twintig minuten later loop ik naar het veld voor een warming-up. Die doe ik al achttien jaar op dezelfde manier. Drie minuten voor aanvang van de wedstrijd ga ik terug naar binnen. Wens ik de grensrechters succes en dan hup het veld weer op. Tijdens de rust drink ik altijd een flesje sportdrank dat ik zelf meegenomen heb. Koffie heb ik nog nooit van m'n leven gedronken. Vind ik gewoon niet lekker. Thee eigenlijk ook niet.

Na de wedstrijd ga ik altijd de bestuurskamer in. Dat is een gewoonte in Nederland. Bij sommige clubs krijg je nog wat te eten en zit je afgeschermd van de rest. Soms blijf ik een half uurtje, soms anderhalf uur. Hangt af van de mensen die er zijn. Zo heb ik een keertje met Freek de Jonge staan praten, niet over voetballen, maar over zijn voorbereiding op een oudejaarsconference. Heel interessant, hoe een ander zich voorbereidt.

Als ik thuiskom, gaat meteen de videorecorder aan. Nog even de wedstrijd terugzien. Meestal speelt zo'n partij na afloop nog twee, drie keer door m'n hoofd. Ik lig ook wel eens wakker van een wedstrijd. En er zijn er bij die nog drie dagen lang door m'n hoofd blijven spoken.

Mijn streven is om ooit nog eens een keer een perfecte wedstrijd te fluiten. Dat is me nog niet gelukt. Eén keer was ik er dicht bij, een paar jaar geleden: PSV-Ajax, ik geloof 3-2 voor PSV. Een wedstrijd zonder kaarten. Met 44 minuten en 58 seconden op mijn klokje maakte Frank de Boer een overtreding die een gele kaart waard was. Hij zette een stevig blok. Omdat het 3-2 voor PSV stond, vlak voor tijd, gaf ik geen geel. Na afloop kom ik boven in de bestuurskamer, zie ik Rinus Michels staan. Hij zegt: super gefloten, jammer alleen van die laatste actie. Toen dacht ik: 'is het toch nog iemand opgevallen'.

Als je de spelregels goed toepast, ben je de baas over de spelers. Het verbaast mij overigens dat er voetballers, trainers en journalisten zijn die in hun vakgebied de spelregels niet helemaal snappen. Dat een profvoetballer als Rob Witschge komt vragen, als ik met mijn hand omhoog sta: 'Mario, is die vrije trap indirect of in enen?'

En wat Studio Sport soms de wereld inslingert, een programma dat door drie, vier miljoen mensen bekeken wordt. Daar word je op afgerekend in je flat. 'Mario, je hebt een fout gemaakt, want de verslaggever zei...' Dan zeg ik: kijk nou even op bladzijde 93 van het spelregelboek, daar staat precies wat er aan de hand is. Daar moet je altijd tegen opboksen. Twee jaar geleden was er een Teleac-cursus op tv. Die zou iedereen die met de voetballerij te maken heeft, verplicht moeten volgen.''

mailIcon print |