*

 
dossier

Archief

Soms de moker, soms het floret, soms loyale steun

RUTGER ZWART − 03/02/96, 00:00

In de Podiumrubriek van 27 en 30 januari bekritiseerde mr. W. C. D. Hoogendijk de manier waarop het CDA oppositie voert. Vandaag een reactie daarop van de auteur van een proefschrift over de vorming van het CDA. De auteur is publicist/historicus en promoveerde op 18 januari aan de Katholieke Universiteit Nijmegen op het proefschrift 'Gods wil in Nederland'. Christelijke ideologieën en de vorming van het CDA (1880-1980); Kok, Kampen.

Strooit Philipse terecht zout in de christen-democratische wonden? Is dit ideologische failliet misschien de achtergrond van de problemen die het CDA momenteel als oppositiepartij ondervindt?

Philipse heeft ongelijk. De confessionele partijen, die deze eeuw hun stempel hebben gedrukt op de Nederlandse politiek, hebben wel hun intellectuele failliet bereikt, maar dat gebeurde al zo'n veertig jaar geleden.

De belangrijkste voorlopers van het CDA - ARP en KVP - ontleenden oorspronkelijk hun bestaansrecht aan de overtuiging dat het mogelijk was uit het geloof morele normen af te leiden, die vertaald konden worden in een politieke ideologie. Dit ging soms zo rechtstreeks, dat standpunten werden vereenzelvigd met de wil van God. Dit verband tussen geloof en politiek kwam in de jaren vijftig ter discussie te staan. Veel katholieken en protestanten ruilden toen hun rationeel-objectivistische manier van geloven in voor een meer persoonlijke geloofsbeleving. Dat had ook consequenties voor de politiek. Men schroomde voortaan geloof en politiek rechtstreeks met elkaar in verband te brenen. De traditionele confessionele partijen bereikten eind jaren vijftig dan ook, zo kan men stellen, hun intellectuele failliet.

De confessionele partijen ontwikkelden zich sindsdien - in eerste instantie onafhankelijk van elkaar - tot christen-democratische partijen. Al vanaf zijn oprichting wil het CDA in die zin een 'gewone' politieke partij zijn, dat niet het geloof, maar de politieke visie centraal staat in de partij. Het CDA onderscheidt zich in dit opzicht slechts van andere partijen doordat het zich bij het ontwikkelen van zijn visie expliciet laat inspireren door het geloof. Het gaat hier om een strikt individuele zaak. De partij claimt niet de goddelijke waarheid in pacht te hebben en wil niet alle gelovigen aan zich binden. Het CDA is daarom geen christelijke, maar een christen-democratische partij. En als zodanig heeft het CDA natuurlijk alle bestaansrecht van de wereld.

Er is echter iets grondig mis met het element dat centraal moet staan in de partij: de eigen ideologie. Ondanks de fraaie rapporten uit de jaren tachtig blinkt de partij de laatste jaren niet uit door eensgezindheid. De ideologie functioneert niet als bindmiddel, maar als splijtzwam.

Nieuw is deze situatie niet. Ook in de jaren zeventig had het CDA-in-wording moeite een eenduidige opstelling te vinden tegenover de partij die toen het politieke debat domineerde, de PvdA van Den Uyl. Progressieve christen-democraten als W. Aantjes en J. Boersma vonden dat het CDA vanwege zijn sociale inslag een natuurlijke voorkeur moest hebben voor samenwerking met de socialisten, gematigde CDA'ers als F. Andriessen wilden van het CDA een middenpartij maken, die met de PvdA kon samenwerken, maar ook met de VVD.

Nu, in de jaren negentig, reageert het CDA opnieuw niet eenduidig op de gangmaker van het politieke debat, VVD-leider Bolkestein. Gewezen CDA-leider Brinkman stond in sociaal-economisch opzicht dichtbij de VVD en leek de partij - getuige het verkiezingsprogram van 1994 - op zijn pad mee te krijgen. Traditionele christen-democraten als Lubbers hadden echter grote moeite met deze ruk naar rechts. Zoals Hans van der Voet - ex-woordvoerder van Lubbers - onlangs in een interview in deze krant onthulde, was juist de opmars van 'de rechtse krachten in het CDA' een belangrijke reden voor Lubbers de strijd met zijn kroonopvolger aan te gaan. Iedereen weet waartoe dat in 1994 leidde.

Een politieke partij kan pas succesvol oppositie voeren als zij een duidelijke positie inneemt in het politieke debat. En daar zit hem nu juist het probleem. Bijna twee jaar na de desastreuze verkiezingsuitslag van 1994 is de partij nog steeds verdeeld. Lubbers en Brinkman zijn van het toneel verdwenen, de richtingen die zij vertegenwoordigen niet. Waar De Hoop Scheffer tegen Bolkestein aanschurkt, gruwt Heerma van het kille geluid van de VVD-leider.

De discussie die momenteel binnen het CDA gaande is over de techniek van oppositie voeren (loyaal of destructief) is eigenlijk niet zo relevant. Een oppositiepartij moet haar houding in de eerste plaats bepalen aan de hand van de vraag hoe het kabinetsbeleid zich verhoudt tot de eigen ideologie. Soms kan dan de moker nodig zijn, soms het floret en soms natuurlijk ook loyale steun.

Als het CDA tot een duidelijke koers komt, liggen er genoeg mogelijkheden om paars aan de tand te voelen. De verdeeldheid binnen de coalitie groeit de laatste maanden zienderogen. De kern van het regeerakkoord, de maatregelen met de Ziektewet en de WAO, staan in de 'sociale vleugel' van de PvdA sterk ter discussie. Hier liggen duidelijk kansen voor het CDA. Vanuit de middenveld-ideologie kan de partij zich principieel verzetten tegen deze neoliberale maatregelen. De vorige minister van sociale zaken, Bert de Vries, deed dat ook. Waarom moet nu de Eerste-Kamerfractie van de PvdA het maatschappelijk verzet tegen de afschaffing van de Ziektewet leiden? Waarom heeft het CDA Nederland niet vorig jaar al wakker geschud en zich massaal verzet tegen deze plannen?

Wil het CDA deze kabinetsperiode nog tot relevante oppositie komen, dan zal het keuzes moeten maken. De partij moet duidelijk maken waar het volgens haar met Nederland de komende decennia naar toe moet. Als ze dat niet snel doet, krijgt Philipse alsnog gelijk.

mailIcon print |