De grachten zijn bevroren. De lucht is helder blauw. Het is ochtend en ik loop langs de Oude Gracht van mijn woonstad, waar je volgens Komrij een kogel kunt afschieten, zonder dat iemand het ooit zal merken.
Ik hoop dat het zo is en dat het lang zo blijven mag. De lucht weerspiegelt in het ijs. Vanaf een brede stenen trap aan de Lijnmarkt, die toegang tot de werf verschaft, kun je zelfs de domtoren in het ijs terugzien. Omdat het maandagochtend is, zijn de winkels nog gesloten en is het Siberisch stil op straat. Ik weet wel: Utrecht is geen Petersburg en de Oude Gracht de Neva niet. Maar toch zoek ik een plek die kans op associatie biedt. Het wil niet wennen, maar het bericht is onherroepelijk: Joseph Brodski is dood. Hartaanval. Drank, vermoed ik, maar ik denk aan ijs en aan zijn zangerige en toch monotone voordracht van zijn gedichten, zoals ik die ooit op televisie zag. In zijn allermooiste, aan Petersburg opgedragen, essay 'Gids voor een herdoopte stad' uit 'Tussen iemand en niemand' (1987) staat een moeilijke zin, die boven komt: “Water zou je kunnen beschouwen als een ingedikte vorm van tijd.” Toen Brodski het schreef, verwees hij niet naar de mensen, maar naar de gebouwen die de stad maken; naar zoals hij het noemde 'de onbezielde wereld', die zichtbaar wordt in de weerspiegeling van huizen, zuilen en portalen. Het is stil in de stad, zo stil, dat je “bijna een lepel kunt horen vallen in Finland”. De klok van de Dom slaat tien keer. Als water een ingedikte vorm van tijd is, wat is dan ijs?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.