Het aardige aan mensen is, dat ze zich belangeloos kunnen bekommeren om andere wezens. Tenminste, sommigen kunnen dat en doen dat, het hoort tot de ontwikkelingsmogelijkheden die de menselijke soort in aanleg heeft. Een poes of een koe zul je niet met een kruiwagen het wad op zien rijden en scheppen kokkels uitstrooien, om hongerige wadlopers te voeden. Een hartverwarmend gevoel geeft het, die lieve dierenbeschermers zo bezig te zien; en wie smelt niet als hij een kluut ziet hongeren en kleumen?
Maar een beetje mal is het wel. Wie voert de vogels in gebieden waar geen mensen komen? Wie voerde de vogels honderd jaar geleden? 'Verworpenen der aarde', dacht ik ook, bij het zien van de neergesmeten kokkels. Men bekommert zich alleen om wezens die de mens iets nabijer lijken te zijn. Vogels zijn warmbloedig, net als mensen, en vogels symboliseren voor aardgebondenen, die wij ondanks vliegmachines zijn, iets hemels. Een vogel in nood redden is als een engel zijn vleugel spalken. Het leven van de onderwaterdieren kennen we niet of het interesseert ons niet, daarom doen we er maar raak mee. Omdat we vissen niet horen praten, denken we dat ze stom zijn, omdat we de sociale verbanden van schelpdieren niet zien, bestaan ze niet voor ons, en rukken we zeefamilies uit elkaar, roven de zeeën leeg.
Natuurbescherming, faunabeheer, het is allemaal goed en lief bedoeld, maar wel in hoge mate discriminerend voor eetbare dieren, en in het licht der eeuwigheid ook een beetje belachelijk. De natuur lacht de mensen toch uit. Ruigoord, dat is wat er gebeurt als mensen even niet meedoen: bijna uitgestorven planten groeien weer in overvloed, zeldzame dieren keren terug. Mensen hoeven alleen maar even met hun armen over elkaar te gaan zitten, en al het moois gebeurt vanzelf.
Ik lach graag terug naar de natuur, vanuit mijn luie stoel. De plaatselijke koolmees krijgt uit sentimentele overwegingingen de pinda die hij wenst, maar verder ben ik een uiterst passieve natuurliefhebber. 's Zomers zet ik die stoel in de tuin, de winterpret speelt zich geheel binnenshuis af. Ik houd erg van de winter, dat wil zeggen, bekeken door een raam vanuit een behaaglijk huis. Niets is mooier dan een winters landschap in een omlijsting van warme gordijnen.
Dat mensen geld betalen om met tienduizenden over het gratis IJsselmeer te mogen schaatsen, terwijl je ook bij de kachel een boek kunt liggen lezen, is voor ons een raadsel. Mijn man en ik hebben besloten nooit meer te gaan schaatsen. We hebben het nooit goed gekund, en nu hoeven we het ook niet meer van onszelf, steeds weer als er ijs ligt, dat stuntelige proberen. Dat besluit gaf een grote opluchting. Van mensen die wel kunnen schaatsen, begrijp ik dat het een wonderschone ervaring is, die wij dus voor altijd & altijd zullen ontberen. Dat geloof ik best, en ik vind het ook een heel mooi gezicht, zo'n vlucht schaatsers over natuurijs. Maar ik hoef niet alles wat mooi is te kunnen of te bezitten, gewoon kijken kan ook heel bevredigend zijn. En dan natuurlijk vanachter een raam.
Als ik iets niet kan of kan krijgen, bedenk ik een mooie theorie, dat ik het toch al niet wilde, dat het niet goed voor me is enzovoort. Schaatsen is dus volstrekt niet goed voor me, het is koud, kost maar tijd, en heeft onsjieke gevolgen als blauwe plekken en snotneuzen. Hetzelfde geldt voor skiën. Ooggetuigen melden dat dit heerlijk is. Maar de foto's van pistes vol roze en oranje kleding, rijen wachtenden met een abonnement om hun nek voor de skilift, doen mij eerder verlangen naar een zacht, diep bed met een schemerlampje en een boek.
Ik voel voor het invoeren van de winterslaap, of een lichtere vorm: in de herfst beukenootjes verzamelen en opslaan, en dan soezend achter de kachel zitten met een breiwerkje, tot die ene speciale morgen, die het voorjaar aankondigt, wanneer de zon het punt bereikt dat hij met een helder strijklicht spinnewebben en stofhopen onthult, die je de hele winter niet opgevallen zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.