ROTTERDAM - Op hoop hoef je in het werk van de Vlaamse beeldend kunstenaar en theatermaker Jan Fabre niet meer te rekenen. Die is er niet, die ligt al eeuwen aan flarden. Hooguit kun je je in zijn werk vastklampen aan verlangen.
In 'Een doodnormale vrouw', de derde monoloog die Fabre voor zijn huismuze Els Deceukelier schreef, ligt de wereld letterlijk aan scherven. De hele toneelvloer is decimeters dik bezaaid met kapotgeslagen servies. De paar borden die nog heel zijn smijt Deceukelier tijdens de voorstelling wel aan flarden. Even overweeg je, aangezien de hoop nu toch opgegeven is, dat er ook maar helemaal geen toneel meer gespeeld hoeft te worden. In stilte kun je wat wegpeinzen over die brokstukken uit elk mensenleven, die zo pontificaal aan je voeten liggen en die zo verrassend in tal van wittinten oplichten.
Maar in die verstilling mis je om te beginnen het geluid. Stukvallende borden, daar hoort op een of andere manier altijd ruzie bij, die klinken niet harmonieus. Maar als ze eenmaal kapot zijn en er gaat iemand over lopen, dan klinken ze mooier dan het dapperst kabbelende beekje. Mooier geknars nog dan schaatsen over ijs, dan schoenen door een grintpad.
In dit schervendomein heerst de in gifgroene jurk gestoken heks Els Deceukelier. Ze heeft zich van de wereld afgewend en praat in dialoogvorm met zichzelf, of beter: 'met de man in zichzelf'. Praten is overigens wat algemeen, want ze kan sardonisch krijsen, kirren, snauwen, sarren en sissen als de beste. 'Hoe laat is het?' vraagt ze zichzelf tientallen keren tergend traag af (repetitie is een van Fabres stokpaardjes) in een scala van gekerm, gesis en gezucht. Ze beklaagt zichzelf, ze berijdt haar wandelstok als heksenbezem, ze bezweert onder begeleiding van walvismuziek met formules en kaarsen in een Tarot-pentagram, ze schenkt bordjes met melk in (wit op wit), ze hult zich in een spooklaken (kwadraatwit), ze verlangt naar de lever van een jonge kater, naar pasgeboren kinderen die naar speculaas ruiken, ze ontdekt een zwarte muis onder een gebroken bord die ze op het nippertje aait in plaats van aan haar dolk te rijgen, ze steekt zichzelf geblinddoekt de ogen uit.
Aan het slot blijkt er nog een tweede muis in de schervenberg te wonen die het helemaal niet erg vindt om over de schotsenzee te dribbelen en die, net als z'n soortgenoot, helemaal niet bang voor al dat gesmijt en gestampvoet is.
Wil je iets van haar wanhoop en wankelmoedigheid begrijpen, dan kun je de tekst maar beter laten voor wat die is. 'Ik geloof in de schaduw van mezelf', 'De kat krabt de krullen van de trap'. Het is ongetwijfeld allemaal even waar als verschrikkelijk, en toch krijg je niet met haar te doen. Deceukeliers techniek is krachtiger dan haar emotionele uitstraling. Dat is jammer, en misschien alsnog, in een u-bochtconstructie, heel verdrietig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.