“Waar je de rozen precies moet afknippen, dat kun je niet op school leren. Daar moet je in de praktijk achter komen.” Nico Barendse loopt door zijn zoetgeurende kas vol rozenstruiken.
Uit wilde bossen takken met doornen groeien de rozen omhoog. “Rozen oogsten is heel arbeidsintensief werk. Daarom proberen we een systeem te bedenken waarbij de rozen minder wild groeien en altijd op dezelfde plaats kunnen worden afgeknipt.”
Zo is Barendse constant bezig zijn bedrijf in Hoek van Holland te vernieuwen. Door met andere tuinders ervaringen uit te wisselen in een studieclub, door adviesbureaus te raadplegen of wie dan ook om advies te vragen. “Je onderhoudt zoveel mogelijk contacten met iedereen waarvan je denkt dat die je eigen kennis kan aanvullen. Dat hoeven geen rozenkwekers te zijn. Ook groentekwekers, tandartsen of varkensboeren kunnen een interessante visie hebben hoe je iets moet aanpakken.”
Barendse is na de havo rozen gaan kweken. Dat hij de tuinbouwschool niet heeft doorlopen, voelt hij niet als een gemis. “Problemen treed je daardoor misschien meer onbevooroordeeld tegemoet. Maar omdat ik niet op die school heb gezeten, weet ik niet echt wat ik gemist heb.” De vader van Barendse was groentekweker maar Nico Barendse had geen zin in tomaten of paprika's. “Daar zijn er al zoveel van. Ik wilde iets anders. In 1986 liep ik toevallig tegen trosrozen aan, die hebben takken waar meerdere knoppen tegelijk aan groeien. Die teelt kwam toen opnieuw in de belangstelling.”
Drie jaar eerder had Barendse een kwekerij gekocht met een verscheidenheid aan siergewassen en in 1989 zette hij er een eigen, gloednieuw bedrijf naast van een hectare. Gemiddeld heeft hij zeven tot acht mensen in dienst om de rozen bij te houden, te oogsten en er bossen van te maken. “Het is een relatief klein bedrijf dus het is te kostbaar om allerlei onderzoek zelf te doen. Maar er bestaan bij voorbeeld proefstations van de overheid waar onderzoek gedaan wordt. Daar kan ik mijn voordeel mee doen.”
Toen de bloemknoppen van een groot aantal planten er niet goed uitzagen, schakelde Barendse een ingenieursbureau in. “Dat bureau heeft de plant van niets tot roos in kaart gebracht. Samen hebben we uitgezocht in welk stadium de problemen ontstonden. Het bleek dat de energiehuishouding van de plant 's nachts niet goed werkte. Er ging te veel energie naar de wortels en te weinig richting knop. Dat proces verloopt bij iedere soort anders. In dit geval hebben we de temperatuur 's nachts wat verhoogd, en dat werkte.”
In de rozenprojectgroep waar Barendse deel van uitmaakt wisselen rozenkwekers kennis uit over de teelt. “Door cijfers te vergelijken kun je zien of je het goed doet of niet. Als je niet vergelijkt, zit je op een eiland. Dan kun je wel het idee hebben dat het goed gaat maar je weet het niet zeker.”
In de agrarische sector is het heel gewoon om kennis over de teelt uit te wisselen. De groep van Barendse is aangesloten bij de NTS, de Nederlandse Tuinbouw Studieclubs. “Natuurlijk, we zijn concurrenten maar ook collega's”, legt hij uit. “De bedoeling is de produktie zo hoog mogelijk te krijgen met behoud van kwaliteit. Daar is iedereen bij gebaat.” Als de een vijftig kubieke meter gas per vierkante meter verbruikt en de ander zestig, proberen de kwekers er achter te komen waar dat aan ligt. De verschillen in opbrengst rozen per vierkante meter oppervlakte worden kritisch bekeken. “We kijken naar de omstandigheden waaronder de planten zijn gegroeid: temperatuur, licht, voeding, water.”
In zijn eigen kas doet Barendse veel op gevoel. “Je moet heel goed kijken wat er gebeurt, hoe de planten reageren. Van thuis heb ik dat natuurlijk wel een beetje meegekregen. Maar je moet je er ook in willen verdiepen, er interesse in hebben. Anders lukt het niet. Of ik een bepaalde aanleg voor planten kweken heb, weet ik niet; 'groene vingers' zeggen ze wel eens. Ach, veel valt te beredeneren, en ik zal er ook wel gevoel voor hebben. Net als dat de een voor een vak heel hard moet blokken en een zeven krijgt en de ander op zijn sloffen een negen haalt.”
Met de inspanningen van Barendse uit alle hoeken en gaten kennis te verwerven om zijn bedrijf vooruit te helpen, lijkt het wel goed te zitten. Dat geldt niet voor alle vakmensen, zo vindt de Adviesraad voor het onderwijs (Aro), een adviesorgaan van de Nederlandse regering. “Het vermogen van vakmensen om te vernieuwen wordt onvoldoende benut, vooral in het midden- en kleinbedrijf”, meldt de Aro in het onlangs afgeronde advies 'Leren en innoveren op school en in beroep'.
Na onderzoek in twee branches, de rozensierteelt en de wijkverpleging, adviseert de Aro de regering geld vrij te maken om innovatie te stimuleren. Zo moeten er volgens de Aro meer 'kennisnetwerken' ontstaan - vergelijkbaar met de studieclub van Barendse - waar studenten, docenten en vakmensen aan deelnemen.
Naast maatregelen om leerlingen in het beroepsonderwijs beter bij te brengen hoe ze moeten innoveren als ze straks aan het werk gaan, adviseert de Aro een mentorensysteem voor jonge vakmensen op te richten. Dat zou op korte termijn vanuit drie regio's in het land van de grond moeten komen.
Hoe Barendse met een pot augurken een andere rozenkweker uit de brand hielp, had hij moeilijk op school kunnen leren. “Die kweker had last van bacterien in een waterbassin. Ik dacht aan augurken in het zuur, dat gaat ook goed, in zo'n pot groeien geen bacterien. Toen heb ik als oplossing aangedragen het water een beetje aan te zuren, zodat de bacterien niet kunnen groeien. Pas als het water aan de rozen wordt gegeven, komen er eerst meststoffen bij die het zure milieu weer opheffen. Ik kom op zo'n idee door een stomme pot augurken, een ander misschien omdat hij levensmiddelentechnologie heeft gestudeerd.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.