'Platform over globalisering' - het door de minister van economische zaken, Andriessen, georganiseerde economiedebat - ging over de vraag waarin Nederland kon uitblinken in een nieuwe wereldeconomie. Maar wat voor economie willen we? En: willen we vooral werkgelegenheid of vooral een goed milieu? En wie zijn 'we'? Henk Tieleman beantwoordt de vraag waarom de meeste discussies over economie steevast zo'n chaotisch en katterig gevoel nalaten. Volgende week in Letter en Geest: een debat over vrouwen en economie. Henk Tieleman, als hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht, is econoom en antropoloog.
De economie is een lange keten van onbedoelde gevolgen, dikwijls door niemand gewenst maar door velen veroorzaakt. Wie wilde er nu die dramatische milieuvernietiging, de armoede in de derde wereld, de tweedeling van de eigen samenleving?
Volgens een oude fictie, populair sinds de dagen van Adam Smith en gebaseerd op enige theologie van de achttiende eeuw, is de optelsom van al die onbedoelde gevolgen precies dat wat de samenleving wil en ook nodig heeft. Dat klinkt op het eerste horen niet overtuigend. Het zou ook wel erg toevallig zijn. De geschiedenis heeft intussen ook geleerd dat er door de 'spontane' werking van economische patronen juist tal van toestanden ontstaan waar we helemaal niet van gediend zijn, en aan de correcties waarvan we vervolgens de handen vol hebben. Via wetgeving, vakbonden, sociale verzekeringen, organisaties van producenten en consumenten. Correcties van onbedoelde gevolgen vormen bij uitstek het verhaal van de economische geschiedenis, zeker van de laatste eeuw.
Ook in de komende 'verkiezingen van de eeuw' gaat het voor een goed deel over economie, en spraakmakende politici vullen de ene na de andere praatshow met hun visies en hun economische verhalen. Die verhalen zijn vaak weinig verkwikkend, en - wat erger is - in de meeste gevallen ook weinig verhelderend. Daarin zijn politici echter niet uniek. Waarom laten de meeste discussies over economie, van de doorsnee kadercursus tot Koos Clintons 'economiedebat', steevast zo'n chaotisch en katterig gevoel na? Zou het komen doordat er drie verschillende soorten discussie door elkaar heen lopen? Allereerst: wat willen we voor economie (de normatieve vragen)? En dan: kan dat allemaal tegelijk (de theoretische vragen)? En ten slotte: wie zal daarvoor betalen of verkregen rechten inleveren (de politieke vragen)? Discussies rondom drie vragenclusters die ieder voor zich goed zijn voor een heel debat en een kleurrijk palet van meningsverschillen.
Neem de eerste categorie, over het soort economie waar we op uit zijn. Willen we vooral werkgelegenheid? Of vooral een goed milieu? Willen we een 'groen Hollands hart' of liever een snelle flitstrein? Willen we veel vrije tijd of liever regelmatig een nieuwe badkamer? Willen we vastigheid of juist flexibiliteit op de arbeidsmarkt? Willen we nivellering van inkomsten of denivellering? En zo verder. En wie zijn 'we'?
Ook de tweede vragenserie, waarbij economen en andere geleerden aan het woord komen, levert weinig eenstemmigheid op, zelfs niet in het onwaarschijnlijke geval dat de eerste categorie vragen beantwoord zou zijn. Kan alles wat we willen en wat zou de kortste of zekerste weg zijn naar het beoogde einddoel? De theorieen vallen over elkaar heen. Loonmatiging bepleit de een, met het politieke toverwoord van de laatste vijfentwintig jaar. Innovatie - en dan ook vooral niet te veel loonmatiging - bepleit de ander. Energie duurder maken, zodat de inventiviteit zich zal richten op de produkten en markten van de toekomst? Of juist geen energieheffing, zodat de markten van vandaag niet verloren gaan? Over de te maken keuzen valt, zo blijkt, hevig te twisten. En daarbij gaat het impliciet ook over de antwoorden die ieder voor zich al op de eerste categorie vragen had gegeven, ook als die helemaal niet aan de orde zijn geweest, zoals meestal het geval is.
De chaos wordt helemaal groot als de derde verzameling van vragen aan de orde komt: wie moet de eventuele prijs betalen voor wat we willen, en waarom eigenlijk? Want voor niks gaat de zon op. In de meeste debatten gaat het om verdelingen van lusten en lasten. Tussen werknemers en baanlozen, tussen ouderen en jongeren, hoog- en laagbetaalden, tussen arme en rijke landen. En waar het over verdeling van lusten en lasten gaat, komen de eufemismen en versluierende termen ten tonele. Zoals 'lastenverlichting', de favoriete bezwerende formule van het moment.
In werkelijkheid gaat het over lastenverschuiving. De regering beschikt nu eenmaal niet over toverstafjes waarmee kosten die er eerst wel waren plotseling in het niet verdwijnen. Die komen op de een of andere manier ergens anders terecht, in welke vorm dan ook. En soms zijn daar goede redenen voor, soms ook niet.
In de meeste gevallen zijn de 'lasten' - premies, milieuheffingen, belastingen, teruggedraaide subsidies, regelgeving die de individuele vrijheid beperkt - duidelijker zichtbaar dan de lusten. Vooral als de 'offers' concreet en individueel voelbaar zijn (energieheffing) en de baten gespreid (minder milieuschade). Dan vraagt het nogal wat voorstellingsvermogen en sociale fantasie om het verband te blijven zien. Als k terwille van het milieu wat minder met de auto rijd, betekent dat nu eenmaal niet dat daardoor de bloemen in mijn tuin ook mooier bloeien.
De economie moge trekken hebben van een groot systeem waar alles met alles samenhangt, maar het probleem is - in systeemtermen gesteld - dat de 'terugkoppeling' veelal ontbreekt. Als ik de verwarming te hoog zet, krijg ik het al gauw zelf te warm en dan zet ik de thermostaat wel weer wat lager. Maar de effecten van ons economisch handelen komen veelal op heel andere plaatsen terecht, en daar merken we niets van. Als de doorsnee automobilist na elke duizend kilometer rijden een boom spontaan dood zag omvallen (bij voorkeur op de eigen rijbaan), zou dat vast wel van invloed zijn op de afweging openbaar / particulier vervoer. Hoe zou het zijn als we onze luchtige stukjes zomermode niet uit een kleurig rek in een winkel met airconditioning konden pakken, maar het zelf moesten ophalen uit het bedompte atelier in een ver land waar mensen het tijdens hun veertienurige werkdagen voor ons in elkaar zitten te naaien tegen een beloning van 45 cent per uur en onder aftrek van een uurloon voor elk toiletbezoek tijdens werktijd. Maar dat soort terugkoppelingen ontbreken, de economie is er te ingewikkeld voor en producenten en consumenten kunnen en willen niet allemaal overzien wat ze teweegbrengen, al is het maar omdat iedereen overvoerd wordt met informatie die niet meer verwerkt kan worden.
Intussen worden de gevolgen van alle micro-beslissingen vooral op macroniveau zichtbaar, en dan nog als 'cijfers' met daarachter anonieme structuren: 'de moderne economie', 'de markt', het onvermijdelijke. En de meeste zogenaamde economiediscussies gaan slechts over minuscule stukjes van dit alles. Zoals de discussie van minister Andriessen met zijn zeshonderd ondernemers, waarbij de inzet een betrekkelijk simpele was. 'Hoe stimuleren we ondernemerschap en daarmee werkgelegenheid'? Het lijkt me een belangrijke vraag, maar bij een echt economiedebat denk ik toch aan iets anders, waarin de drie hamvragen herkenbaar aan de orde komen: wat willen we op de korte en de lange termijn, kan dat ook en wie moet het betalen?
Het gevaar is groot dat de verschillende hoofdstukken in een wervelend maar tegelijk onnavolgbaar tempo door elkaar gaan lopen, en dat is ook de praktijk. Een doorsnee discussie over een duurzame economie - 'hoe moeten we het inrichten als we niet teveel op afbetaling willen leven? ' - gaat dan al gauw over in de vraag of er nog wel genoeg rek in de loonruimte zit om zonder koopkrachtvermindering het milieu wat minder te belasten. Dat betekent een overstap naar vraag drie voordat de eerste vraag - laat staan de tweede - behoorlijk is beantwoord. Bovendien kun je zo'n vraag net zo goed omkeren: zit er nog wel genoeg rek in het milieu om het huidige produktie- en consumptieniveau voort te zetten?
Een grote complicatie is dat de tot dusverre gangbare economische modellen zoveel van hun verklarende en voorspellende waarde verloren hebben. De laatste min of meer alomvattende theorie is van de jaren dertig (Keynes), maar sedertdien is de wereld drastisch veranderd. Het nationale niveau verloor veel invloed, er ontstonden enorme en invloedrijke internationale geldcircuits die hun eigen dynamiek hebben en min of meer los staan van de reele goederenstromen, en de economische logica van de multinationale ondernemingen zetten de economie van de internationale betrekkingen op hun kop. Breng dat allemaal maar weer eens onder in een overzichtelijk verhaal.
Daarnaast is er nog een ander groot probleem dat voor ware babylonische toestanden zorgt waar het over economie gaat: de micro-macro paradox. Dat wat economisch verstandig en rationeel lijkt op het ene niveau, kan vanaf een ander niveau gezien ruimschoots in de categorie absurd vallen. Bedrijfseconomisch zal het voor DAF misschien voor de hand liggen om de cabines van nieuwe vrachtwagens naar Spanje heen en weer te rijden om ze daar te laten spuiten. Arbeids- en milieuwetgeving maken het spuitwerk in Spanje goedkoper, vandaar. Maar op een macroniveau bezien, en vooral vanuit een ecologisch perspectief, is het van de gekke, dat heen en weer gerij met voornamelijk lucht als inhoud. Verplaatsing van vervuiling. In dezelfde categorie ligt het dieronterende transport van levende varkens (nou ja, wat heet levende? ) vanuit Nederland naar Italie om ze een stadium later in de vorm van ham weer terug te rijden. Dat zal bedrijfseconomisch wel rendabel zijn, maar daar is dan ook alles wel mee gezegd.
Het punt is dat economische rationaliteit bestaat in soorten. Dat laat zich ook illustreren aan de voor de hand liggende afweging van de consument. Als k overweeg dat die tienduizend extra autokilometers van mij het bos niet zullen laten sterven, dan heb ik natuurlijk groot gelijk. Alleen, als mijn buurman en zijn buurman er net zo over denken - en dus ieder voor zich ook gelijk hebben - dan hebben we vervolgens samen ongelijk.
Zo kan ook bezuiniging op en wegsanering van arbeid bedrijfseconomisch heel verstandig zijn. Menige werkgever die dat onvoldoende doet, wordt afgestraft met rendementsverlaging of zelfs faillissement. Maar dat zodoende voor elke voltijds werkende er ook iemand in de WW, de WAO of de VUT zit, en dat de gelukkigen die een baan hebben intussen overstressed raken, is de waanzin gekroond.
Het is tegelijk werkelijkheid. Micro-rationaliteit is iets anders dan macro-rationaliteit, daarom kan het antwoord op economisch-politieke vragen niet alleen worden gegeven door zeshonderd ondernemers. Een samenleving is nu eenmaal geen onderneming.
Drie kabinetten-Lubbers zijn we nu bezig 'de economie gezond te maken', maar wat is eigenlijk een gezonde economie? Die vraag is nauwelijks gesteld. Een groep sociologen en economen heeft er onlangs een boekje over geschreven, als het ware hardop nadenkend over beleidskeuzen waarvan veelvuldig de koers, maar zelden de eindbestemming besproken wordt. (L. Laeyendecker en Mady A. Thung, red., Een gezonde economie? Maatschappelijke dimensies van het economisch handelen, Kampen: Kok/MCKS 1994.) Het nadenken over die bestemmingen waarheen we kennelijk op weg zijn, wordt onder meer belemmerd doordat de cijfers waarmee we de economie in beeld brengen nergens op lijken.
Zo prijzen we ons er gelukkig mee dat de nationale produktie dit jaar op hetzelfde peil blijft en niet met een of twee procent daalt, zoals elders wel gebeurt. Maar intussen kunnen economen ons ook voorrekenen dat - na aftrek van de milieukosten die onze kinderen zullen moeten betalen - onze economische groei al vele jaren negatief is. En dan niet voor een paar procent. In Duitsland berekende het Fraunhofer Institut fur Systemtechnik niet lang geleden dat als de almaar oplopende milieuschade wordt meegerekend, het Nationaal Produkt jaarlijks ongeveer 25% lager ligt dan in de gangbare berekeningen voor waar wordt gehouden. En in Nederland zou alleen al het opruimen van bekende gifbelten en vervuilde onderwaterbodems naar schatting zoiets kosten als het equivalent van de totale particuliere consumptie gedurende ruim een half jaar.
Zo ligt over veel economische cijfers en begrippen een grauwsluier van ongetwijfeld goedbedoelde misleiding en kan menige cijferexercitie - om met de econoom Keynes te spreken - zo in de prullebak. Omdat de cijfers ons op het verkeerde been zetten en de echte vragen niet ter discussie helpen stellen, over de inrichting van ruimte en samenleving en over de sociale en economische verhoudingen die we onze kinderen willen nalaten. Maar hoe kan een samenleving van moderne individuen keuzen maken anders dan via een publiek debat dat op niveau gevoerd wordt? Daarom is het spijtig als de publieke discussie blijft steken op het niveau van talkshows, ergens tussen entertainment en amateurisme.
De economische keuzen en dilemma's waarvoor de samenleving - en daarmee de politiek - staat zijn te belangrijk zijn om ze aan de orde te stellen op de chaotische en fragmentarische wijze die nu nog gangbaar is. Ze zouden de inzet moeten zijn van een echt economiedebat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.