'Soms verdwaal ik in een draak', vanaf vier jaar, is te zien: 9/2 in Gouda, 12/2 in Zoetermeer, 16/2 in Den Haag, 19/2 in Groningen, 2/3 in Enscede, 5/3 in Drachten9/3 in Rotterdam.
Als openingsscène verschijnen in het smetteloos witte decor onder een achterwand de rennende beentjes van sprookjeskinderen. Ze worden achtervolgd door zwarte en groene drakenvoeten. Helden uit sprookjes komen immers in benarde situaties terecht, maar uiteindelijk verslaan ze altijd de draak en mogen ze trouwen met de prinses. Regisseur Moniek Merkx en schrijfster Pauline Mol vlochten vier sprookjes van de gebroeders Grimm - 'De twaalf broers', 'Het dappere Snijdertje', 'Hans en Grietje' en 'Het levenswater' - ineen tot een nieuw verhaal dat de essentie van alle volkssprookjes bevat. Uitgangspunt hierbij was het vertrek van de helden uit huis de wijde wereld in, de gevaarlijke tocht vol beproevingen door het enge bos en tenslotte de beloning met een lang en gelukkig leven.
Een voor een verschijnen de helden voor het voetlicht. Het dappere Snijdertje draagt een grote rode sjerp over zijn borst met de trotse tekst 'Zeven in een klap'. “Kun je je voorstellen? Zeven tegelijk, zesenveertig pootjes, tsjak!”, schept hij op. Grietje vertelt hoe arm haar familie is en hoeveel honger ze hebben. “Onze vader en onze moeder gaan ons achterlaten in het bos. Onze moeder wil het zo”, zegt zij wat gelaten. Als ze allemaal hun verhaal hebben gedaan, gaan ze gezamenlijk op pad. Ze gooien een veertje omhoog en zoals het veertje valt, zo zullen zij reizen. De houten panelen aan de zijkant worden uitgeschoven tot een bos en daar gaat het allemaal gebeuren.
We zien hoe het dappere snijdertje twee reuzen tegen elkaar opstookt en hoe het Sterrenkind in twaalf zwarte raven haar broers terugvindt. De arme Hans wordt vetgemest in het huisje van de heks en het meisje met de stervende vader zoekt het levenswater waarmee zij hem kan redden. En passant huppelt Roodkapje nog even voorbij.
Componist Joop van Brakel schreef de originele 'verdwaal- en bezweringsliedjes' en voorzag de hoofdpersonen van een serie instrumenten voor de bosgeluiden: fluitjes voor de vogels, een houten pijp met regengeluiden, bubbeltjes-plastic voor het geluid van knapperend vuur en een koffer die kan blaffen.
Als metafoor voor de goede afloop na de doorstane avonturen verschijnt aan het slot een groep trotse ridders met houten zwaarden. Ze hebben zojuist de meerkoppige draak verslagen. En als bewijs laten ze de kinderen in het publiek de tongen van dit vervaarlijke dier zien. Als beloning krijgen de dappere strijders een appel en dan zinken ze als toegift nog even één voor één in elkaar. Maar van de prins krijgen ze dan snel een kusje en zo leven ze weer op om de voorstelling met een gouden kroontje op het hoofd te besluiten.
'Soms verdwaal ik in een draak' is een geestige en origineel vormgegeven sprookjes-mix, die dramaturgisch vakkundig in elkaar steekt. De voorstelling laat de essentie en symboliek van de sprookjes intact en laat zien dat het uiteindelijk steeds om eenzelfde thema draait: de grote emoties en beproevingen die ieder kind op zijn levenspad tegenkomt en tot een goed einde moet brengen.
Als de voorstelling is afgelopen, rennen de kinderen snel naar voren om aan de tongen van de draak te voelen en met elkaar te overleggen of ze nu wel of niet echt zijn. Ten slotte besluit een jongetje: “Nee, want die kun je er met een houten zwaard niet afslaan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.