*

 
dossier

Archief

Mevrouw Junger-Tas hoeft niet ver te zoeken

RICHARD CRESS − 14/01/97, 00:00

In Trouw van 4 januari kwam Josine Junger-Tas uitgebreid aan het woord over haar werk voor het departement van justitie om opvoedcursussen voor 'kwetsbare risicogroepen' op te zetten. Zij uitte daarin ook kritiek op de 'op zich aardige' projecten op dit terrein van het ministerie van VWS. Een reactie van iemand die bij een van die projecten betrokken is. De auteur is afdelinghoofd evaluatie, monitoring en onderzoek bij de Averroès Stichting/Unesco Europees trainingscentrum voor de voorschoolse educatie en het gezin te Amsterdam.

Verhullend taalgebruik leidt niet tot verbetering van de soms uitzichtloze situatie waarin veel allochtonen verkeren. Pas wanneer je de problematische situatie van bepaalde groepen in volle omvang erkent, kan en moet je nuances (en die zijn er volop) aanbrengen, teneinde sligmatisering tegen te gaan.

De angst voor 'staatsopvoeding' begrijp ik al evenmin. Het gezin als laatste bolwerk van privacy en vrije keuzes? Dat lijkt me overdreven in een samenleving waarin het proces van vergaande individualisering nog lang niet voltooid lijkt.

De voorstellen van mevrouw Junger-Tas vormen slechts een exponent van het besef dat gemeenschappelijke afspraken over de vormgeving van de samenleving alleen mogelijk zijn wanneer iedereen daar gelijkelijk aan kan en wil deelnemen. Sociale binding, het opgenomen zijn in maatschappelijk aanvaardbare verbanden en structuren, met waarden en regels waaraan je je wenst te committeren, is noodzakelijk om probleemgedrag te voorkomen. We moeten ons realiseren dat veel (allochtone) jongeren zich in een maatschappelijke situatie bevinden die vooral uitnodigt tot binding van de verkeerde soort.

Vooraanstaande rol

Dat brengt me op de aard van de voorstellen, inmiddels door het ministerie van justitie tot 'voorgenomen beleid' gemaakt. Opvoedingsondersteuning aan (maatschappelijk kwetsbare) ouders van jonge kinderen wordt nu door minister Sorgdrager als mogelijke ingang onderzocht. Daarbij sluit ze zich aan bij haar collega bewindsvrouwe van VWS, die al eerder te kennen gegeven heeft daarin veel heil te zien.

Wat is daar mis mee? Niets, zou je zeggen. Want ondanks de kritiek op het VWS-beleid, ook door mevrouw Junger-Tas geuit, is er ook veel goeds over te vertellen. Nederland speelt, dankzij het beleid dat VWS in de afgelopen jaren gevoerd heeft, inmiddels ook internationaal een vooraanstaande rol op het gebied van preventie via ouderbetrokkenheid, getuige het feit dat de Unesco een Nederlandse instelling als samenwerkingspartner voor haar activiteiten op dit gebied in heel Europa heeft aangewezen. Dat is verheugend; het is een erkenning voor het goede en consistente beleid van de afgelopen jaren.

Mevrouw Jonger-Tas pleit daarbij voor een nauwe samenwerking tussen VWS, Onderwijs en Justitie. Ze zit met haar aanbevelingen dus op het goede spoor. Want opvoedingsondersteuning weet, zo laat de praktijk al een aantal jaren zien, de fictieve grenzen tussen onderwijs, welzijn en justitie te doorbreken. Op tal van plaatsen in het land maken programma's voor opvoedingsondersteuning al deel uit van integraal uitgevoerd achterstandsbeleid. Met andere woorden: op gemeentelijk niveau wordt allang gedaan wat op de ministeries nog ernstig bestudeerd moet worden: samengewerkt.

Levert het ook wat op, al die inspanningen en dat enthousiasme? Mevrouw Junger-Tas noemt een ernstig punt van kritiek op de door VWS geinitieerde en financieel gestimuleerde projecten voor opvoedingsondersteuning: “Het probleem met die projecten van VWS is juist dat er weinig goed wordt geëvalueerd.” Ze noemt projecten als Opstap, Instapje, Overstap met name, maar zou er ongetwijfeld nog een flink aantal aan kunnen toevoegen.

Naar mijn weten werden en worden juist de VWS-projecten nog nooit zo druk onderzocht, gemonitord en geëvalueerd als heden ten dage. De universiteiten van Leiden, Amsterdam, Utrecht en Nijmegen hebben zich hiermee beziggehouden, of doen dat nog steeds. De resultaten van Instapje en Overstap zijn bemoedigend, de effecten van Opstap konden niet worden aangetoond. Opstap werd inmiddels vervangen door Opstap-Opnieuw.

Nu is onderzoek naar de effecten van dit soort projecten altijd een moeilijk punt. De resultaten daarvan, ongeacht of ze positief of negatief uitvallen, zijn altijd onderwerp van methodologische discussie geweest. Ook die van de Amerikaanse projecten waarnaar zij verwijst. Dat ontslaat je natuurlijk niet van de verplichting om te blijven zoeken en onderzoeken.

Processen

Maar achterstandsbestrijding en criminaliteitspreventie is een zaak van lange adem, laten we dat vooral erkennen. Ik zou onderzoek daarom niet alleen willen koppelen aan 'effecten', maar vooral ook aan 'processen'. In onze haast om zo snel mogelijk harde effecten te vergaren, is de kans anders groot dat potentieel goede projecten al bij de eerste teleurstellende resultaten gestopt worden en vervangen door andere projecten, steeds maar opnieuw en opnieuw.

Cumulatie van kennis begint bij een goede waarneming van de processen die zich afspelen bij de uitvoering van al deze projecten, naar interacties tussen begeleiders en ouders en tussen ouders ouderling; het vervolgens op basis daarvan aanbrengen van verbeteringen en tot slot het kijken of dat tot betere resultaten leidt.

En dan nog blijft voor mij de vraag: wat verwacht je eigenlijk van dit soort projecten? Wat mij betreft gaat het niet alleen om effecten op onderwijsprestaties of andere harde effectmaten, het gaat ook om het doorbreken van uitzichtloze patronen. Om enthousiasme en geloof bij onderwijskrachten, die keer op keer de problemen ondervinden van kinderen die al op elementaire basisvaardigheden uitvallen. Om ouders die daadwerkelijk resultaten zien en het gevoel hebben dat ze een bijdrage kunnen leveren, zelfs wanneer ze zelf nauwelijks enige scholing hebben gehad. Projecten die dat kunnen teweegbrengen zijn er in Nederland inmiddels voldoende, zou ik mevrouw Junger-Tas in haar wereldwijde zoektocht naar succesvolle preventieprojecten graag willen meegeven.

Ook wanneer het haar gaat om voor- en vroegschoolse projecten met aantoonbare lange-termijneffecten op het gebied van criminaliteitspreventie hoeft ze niet ver te zoeken. Het bekende High/Scope project van David Weikart voldoet hieraan, en wordt in Nederland onder de naam 'Kaleidoscoop' al uitgevoerd. En ten slotte is ook de methodiek van het 'aardige' Amerikaanse project 'Communities that care', door haar als voorbeeld genoemd, en waarbij naar samenwerking wordt gezocht met de lokale leiders in bepaalde wijken, hier niet onbekend. Met name de werving van Marokkaanse ouders heeft van meet af aan plaatsgevonden met behulp van deze zogenaamde 'sleutelfiguren'. Dat hoefden de ontwikkelaars niet eens zelf te bedenken: de praktijk schreef het voor.

Laten we daarom ophouden met het zoeken naar nieuwe projecten en kijken hoe we de kwaliteit en effectiviteit van bestaande projecten kunnen verhogen. Want de huidige projecten voor opvoedingsondersteuning hebben al bewezen binnen het lokale beleid een bindende factor te kunnen zijn omdat ze ouders, kinderen, school en buurt met elkaar laten samenwerken. Bovendien vormen ze het bewijs dat je niet met dwangmaatregelen hoeft te komen om ouders, óók degenen die als moeilijk bereikbaar bekend staan, actief te laten participeren in welke activiteit dan ook.

Duidelijkheid en gezamenlijke inspanningen zijn positieve krachten die meer resultaten kunnen opleveren. Dat neemt niet weg dat ik het voorgenomen beleid van justitie een verademing vind, na alle voorzichtigheid die de overheid dienaangaande tentoongespreid heeft.

Staatsopvoeding in Nederland? Het zal waarachtig wel loslopen: we leven gelukkig in een samenleving met een diepgewortelde traditie om voorzichtig om te gaan met de kwetsbaren in ons midden.

mailIcon print |