*

 
dossier

Archief

Hoe krijgt CDA in oppositie eigen gezicht?

MR. R.H. VAN DE BEETEN − 08/02/96, 00:00

De auteur is oud-vice voorzitter CDA.

Een ander onderwerp leent zich eveneens voor een profilerende aanpak. Dat is de bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing. Hierin zitten thema's waarmee het CDA zichtbaar kan maken niet een vastgeroeste bestuurderspartij te zijn, maar een partij met eigentijdse opvattingen over een bestuur. Het onderwerp is bovendien strategisch van groot belang. De coalitie wil zich - zeker wat D66 betreft - laten kennen als één die zich juist hier onderscheidt van kabinetten met het CDA. Nogal wat voorstellen ondervinden ook in de coalitie geen onverdeelde steun en hebben in het publiek weinig enthousiasme losgemaakt.

Het CDA kan er natuurlijk op mikken om vooral voor D66 gevoelige wensen om zeep te helpen door er eenvoudig 'nee' tegen te zeggen. Dat kan een effectieve tactiek zijn, maar als het mislukt door voldoende eensgezindheid in de coalitie of 'Torentjes-compromissen', lijkt het CDA te verliezen: de christen-democraten waren alleen maar tegen en hadden geen eigen visie, wordt dan in de media en de publieke opinie het imago. Op termijn is dat dus een riskante tactiek.

Het verdient daarom aanbeveling om met een bredere, eigen opvatting te komen; met een antwoord op de vraag: hoe moet goed bestuur over vijf jaar eruit zien? Een bestuurderspartij als het CDA lijkt niet geschikt om die vraag te beantwoorden, omdat snel het gevoel ontstaat dat een nieuwe opvatting over toekomstig bestuur tevens stilzwijgende kritiek op het eigen bestuurlijk handelen in het verleden inhoudt. Dat gevoel is misplaatst, juist als men ziet hoe sterk de omstandigheden waarin bestuurd moet worden, veranderd zijn. Juist een bestuurderspartij zou zich rekenschap kunnen en moeten geven van de betekenis van die veranderingen voor vorm en inhoud van goed bestuur.

Afwijzing

Hoe moeilijk dat is, blijkt uit een recente publikatie van de CDA-bestuurdersvereniging, waarin de kabinetsvoorstellen over staatkundige vernieuwing vrijwel integraal worden afgewezen. Dat begint al met het eerste hoofdstuk. Het is een - overigens interessante - beschouwing van dr. C. Klop, plaatsvervangend directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, over politieke partijen en burgerschap. Dat gaat in hoofdzaak over de bedreigde rol van politieke partijen in het huidige politieke systeem.

Door die invalshoek als uitgangspunt te kiezen, kiezen de CDA-bestuurders al meteen een defensieve, weinig toekomstgerichte toon. In de bespreking van diverse onderwerpen (referendum, wethouder van buiten de raad, burgemeestersbenoeming en spreiding raads- en statenverkiezingen) komt de bestuurdersvereniging niet tot ook maar enige visie op goed bestuur in de toekomst.

Het sterkst blijkt dit in het standpunt over de wethouder van buiten de raad. De opvatting dat de raad als geheel bestuurt en burgemeester en wethouders alleen maar voorbereiden en uitvoeren noemt men monisme; de opvatting dat er een sterke scheiding moet zijn, omdat B & W in de praktijk feitelijk besturen en de rol van de raad sterk verkleind is, noemt men dualisme.

Wat zegt nu de CDA bestuurdersvereniging? Inderdaad is de praktijk van het lokaal bestuur niet meer monistisch en zou loskoppeling van wethouderschap en raadslidmaatschap logisch zijn. Niettemin is het rapport tegen, omdat wethouders die eerst als raadslid gekozen zijn democratisch gelegitimeerd zijn en wethouders van buiten niet.

Is dit al een karige argumentatie (ministers zijn immers ook niet altijd eerst als Kamerlid gekozen), nog bescheidener is het artikel als het gaat om versterking van de raad tegenover B & W. In één regel somt het op: besturen op hoofdlijnen, versterking van de controlerende functie, de raad eerder betrekken bij de besluitvorming en betere voorzieningen voor raadsleden. Verder komen de CDA-bestuurders niet.

Vanuit welke visie zou het CDA de kabinetsvoorstellen moeten beoordelen? Wezenlijk voor een goed bestuur is vertrouwen tussen burgers en hun organisaties enerzijds en de overheid anderzijds. Eén van de karaktertrekken van de huidige bestuurspraktijk is het toenemende vertrouwen van de burger in de rechtspraak en het afnemende vertrouwen in het bestuur, met name in de volksvertegenwoordiging. Een andere karaktertrek is de ineffectiviteit van het openbare bestuur.

Die twee hangen samen. In de jaren zeventig is veel inspraak ingevoerd. Dat is gepaard gegaan met veel regelgeving, zoals politiek en bestuur sowieso vooral regels hebben geproduceerd het afgelopen decennium. Inspraak werd daardoor vooral een zaak van procedures en daarmee vertraging, waardoor tegelijk afbreuk werd gedaan aan de effectiviteit. De burger wendde zich tot de rechter, omdat de volksvertegenwoordigers zich in hoofdzaak laten leiden door de bestuurders en zo ontstond een spiraal van afnemend vertrouwen en toenemende vertraging in besluitvorming door procedures.

Nieuw gezag

Voor een goed bestuur in de toekomst is het dan ook van groot belang, dat de politiek nieuw vertrouwen en nieuw gezag verwerft. Dat moet vooral gebeuren door versterking van de positie van de volksvertegenwoordiging. Daar moeten de belangen in openbaarheid tegen elkaar worden afgewogen; daar moeten de burgers eerst en vooral gehoor vinden voor die belangen; daar en niet in de rechtszaal moet de uitvoerende macht primair worden gecontroleerd en gecorrigeerd.

In die visie past op zichzelf geen referendum, maar is er juist wel reden om op het punt van de wethouders en burgemeesters, van de gedeputeerden en de commissaris van de koningin in de provincie verder te gaan dan de kabinetsvoorstellen en wel door een consequente keuze voor dualisme, juist op de dicht bij de burger staande niveaus van openbaar bestuur.

In een overheid die streeft naar samenhang in samenleving is de volksvertegenwoordiging ook daadwerkelijk het centrum voor de burger. Dat is een visie die het CDA past en een eigen gezicht geeft op dit onderwerp.

mailIcon print |