*

 
dossier

Archief

Niet alles is te koop, gemoedsrust moet je bevechten

PIETER VAN DEN BLINK − 06/01/97, 00:00

De Vinkenbos is vanaf heden geopend. Het adres is Kolkakkerweg 78, Ede. Jan Veenendaal is 's morgens tussen 8 en 8.30 bereikbaar op: 0318-617123.

“Elke plek is ingericht voor een bepaalde bezigheid, de oven voor het bakken, de draaibank voor het houtbewerken, enzovoort. Op zolder is nog een bijzondere ruimte, met ook zijn eigen bestemming: de schutse. Daar liggen een gong, de bijbel, een bandje met Gregoriaanse muziek. En er staan wat meditatiebankjes. De schutse is de plek voor zingeving. Arbeid en zingeving vormen samen het ritme van leven in de Vinkenbos.

Wie overspannen is, kan, na overleg met de arts, in het gebouw de Vinkenbos terecht. Het ritme van de dagindeling schept de ruimte voor de gasten om weer op adem te komen. De Vinkenbos is geen therapeutisch centrum en geen klooster, al zijn er goede contacten met zowel de medische stand als de kerkelijke gemeente.

Iets als dit bestaat nog niet, daarom is het lastig er een naam aan te geven. Noem het geestelijke begeleiding vanuit een goed hart, een gezond verstand en een scherpe blik.

Voor mijzelf is het, kennelijk, de volgende stap op mijn levensweg. Voor een groot deel heb ik het zelf uitgedacht, de behuizing heb ik zelf gebouwd, en verder ben ik ontvankelijk geweest voor wat op me af kwam. Een voorbeeld van dat laatste is mijn ontslag, nu precies twee jaar geleden, maar de kiem van het plan om overspannen mensen te gaan helpen, ligt verder terug.

Twintig jaar lang heb ik in de wegenbouw gewerkt. Uitvoerder, hoofduitvoerder, bedrijfsleider, carrière! Het zal 1988 geweest zijn toen m'n baas vroeg of ik zin had om met mijn gezin voor een jaar naar Mozambique te gaan. Ik had geen idee waar dat land lag, maar ik zei ja, dat lijkt me wel wat. Als je over zo'n beslissing langer gaat nadenken, komen er maar beren op de weg. Ook mijn vrouw vond het een prima plan. Gelukkig maar, want toen ze ervan hoorde, had ik al toegezegd.

Het verandert je, zo'n jaar. Ik zeg wel eens dat in Mozambique de oorsprong ligt van wat ik hier nu doe. Straatbeelden uit dat land hebben zich in me vastgezet. Beelden waarin de bijbelverhalen over de melaatsen tot leven komen. In Maputo zitten ze onder de poorten naar het marktplein, op karretjes, met afgerotte vingers. Ik voelde me ongemakkelijk toen zo iemand voor het eerst een lift aan me vroeg.

Toen we na twaalf maanden weer voet aan de grond zetten op een westers vliegveld, werd ik kotsmisselijk van de luxe van al die uitgestalde spullen-voor-de-heb en de heersende gedachte dat alles in het leven te koop is. Maar voor ik het wist, was ik terug gekropen in het oude leventje. Ik bleef maar werken, overwerken, geld verdienen.

Toch had Mozambique iets in me los gemaakt. Terug in Nederland voelde ik me steeds onprettiger, terwijl het met mijn carrière prima ging. Ik zat in allerlei commissies binnen het bedrijf, had met iedereen contact, ik werd een soort personeelsbegeleider. Maar het ongenoegen uitte zich in twijfel. Ik begon me af te vragen wat ik eigenlijk aan het doen was. Zou ik op mijn vijfenzestigste met een gerust hart kunnen terugkijken op een leven in de wegenbouw? Nee, dacht ik, dat wordt terugkijken met spijt. Maar hoe moest ik eruit komen? Ik begon te begrijpen waarom carrière in het Frans ook steengroeve betekent.

Op het werk proefde ik een sfeer van collectieve angst. Door alle fusies, overnames en reorganisaties is tegenwoordig niemand meer zeker van zijn plek. Hoe lang geleden was er voor het laatst een feestje omdat iemand vijfentwintig jaar bij het bedrijf zat? Bijna iedereen werkt nu met een jaarcontract. Uit angst dat het contract niet verlengd zal worden, durft het personeel niet tegen de baas in opstand te komen.

Ik begon gedrag van de leiding te bespeuren waarvan ik dacht: dit lijkt op het oude Egypte, faraoïsche toestanden. Om zes uur 's avonds een vergadering afkondigen voor mensen die 's ochtends om zeven uur begonnen waren. Niet vanwege een noodgeval, maar omdat het uitkwam. Op de werkvloer zag ik de angst afgereageerd worden op de spullen van de baas. Hij koopt wel een nieuwe, werd er geroepen, als een machine door slecht onderhoud kapot was gegaan.

Als ik tegen mijn collega's zei dat ze gewoon naar huis moesten gaan om half vijf - de baas kon de volgende dag zoveel vergaderen als hij wilde - antwoordden ze: als ik dat zeg, hoef ik morgen niet eens terug te komen. Ik stapte wel in mijn auto, vergadering of niet. Want je kan niet tegen je collega's zeggen dat ze moeten protesteren en dan zelf in je schulp kruipen.

Ik werkte hard. Misschien deed ik niet alles goed, maar ik deed wel de goede dingen en daar gaat het om. Door het begeleidingswerk dat ik deed, kreeg ik een steeds grotere invloed in het bedrijf. De mensen luisterden naar mij, omdat ik niet van bovenaf met ze communiceerde, zoals de baas, maar als gelijke.

Nietsvermoedend ging ik de laatste dag voor Kerstmis '94 weer een salarisverhoging en een schouderklopje halen. Ik kwam binnen en de baas zei: 'Jan, ik zal het kort houden, ik wil van je af'. De eerste seconde was ik stomverbaasd. Een tel later dacht ik: dit is mijn kans.

Ik moest me inhouden want ik vond het niet aardig tegenover die man om meteen een gat in de lucht te springen. De volgende dag hebben we zeer genoegelijk koffie zitten drinken en heeft hij me voor twee jaar een salarisregeling meegegeven. Op de terugweg had ik tranen in m'n ogen, niet van verdriet maar van opluchting.

Thuisgekomen dacht ik: niks zeggen, ik wacht wel op een geschikt moment. Want voor je het weet heb je paniekerige toestanden, papa is ontslagen, wat moeten we nou. Ik heb gewacht met thuis te vertellen dat ik ontslagen was tot mijn vriend Hans Steenhuis langskwam. Twee dagen later. We zaten we aan de koffie. Dat was het goede moment. Toen hebben we er een tijd over zitten praten, want het hele gezin moet gelegenheid hebben om de nieuwe situatie tot zich te laten doordringen. Mij zei het volslagen niets dat ik zonder vaste baan zat, nu nog niet.

Toen ik Hans Steenhuis leerde kennen, jaren geleden, hadden we direct mot. Onder meer vanwege zijn werk in de Utrechtse Dom - hij is geen onbekende in de gereformeerde gemeente - wilde ik weten of hij een boek, dat ik aan het lezen was, ook zo prachtig vond. Hij kwam bij me langs om erover te praten en op de deurmat zei hij al: dat boek kan je in de kachel gooien. Enfin, ik bood 'm toch maar een kop koffie aan. Zo zijn we aan de praat geraakt. Ten tijde van mijn ontslag waren we al goede vrienden. Hans is medebepalend geweest voor het ontstaan van de Vinkenbos.

Om duidelijk te maken wat hier gebeurt, moet ik nog iets vertellen. Het geloof heeft in mijn leven altijd een rol gespeeld. Ik kom uit de stevig gereformeerde hoek en daar, zoals overal, brengen ouders hun kinderen bepaalde zekerheden bij. Op weg naar volwassenheid maakt ieder kind vroeg of laat een ommezwaai en beseft dat je de zekerheden die zo diep in je ziel zijn verankerd, toch niet als vanzelfsprekend mag aannemen. Je moet afdalen en dat anker in je ziel los prutsen. In mijn geval betekende dat de ontdekking dat geloven niet iets kon zijn van één keer per week in de kerk en laat maar zitten verder. Geloven moet iets zijn van alledag.

Dat zag ik ook in de Slangenburg, een benedictijner abdij waar Hans me twee keer per jaar mee naartoe neemt. De monniken daar werken hard en met plezier, maar telkens weer onderbreken ze hun arbeid om op het luiden van de bel naar de kapel te gaan. Niets kan dat ritme doorbreken. Een monnik vertelde dat eens een medebroeder dood werd aangetroffen op het moment dat de avonddienst moest beginnen. Slechts twee monniken misten de dienst om de dode af te leggen, de rest hield het ritme vast. Anno 1997 kan bijna niemand zich nog voorstellen dat juist zo'n nooit onderbroken ritme die monniken geestelijke vrijheid geeft.

Nadat ik voor het eerst in de Slangenburg geweest was, dacht ik: zo moet ik het ook doen. Ik heb toen de gewoonte ontwikkeld om, voordat ik 's ochtends naar mijn werk ging, wat tijd in te ruimen om de dag in stilte te beginnen. Na mijn ontslag ben ik dat blijven doen, alleen stond ik toen niet meer om vijf uur op maar om zes uur, omdat ik niet meer voor de file de weg op hoefde. In mijn dagritme, dat ik ook in de Vinkenbos wil handhaven, komen nu ook 's middags en 's avonds zulke momenten voor.

In dat prachtige gedicht van Martin Reints dat met Kerst in de krant stond, luidt een strofe: 'het ritme is opgebouwd uit de stiltes tussen / de gebeurtenissen'. Zo is het.

De naam Vinkenbos verwijst naar Dietrich Bonhoeffer. Bonhoeffer vond de predikantenopleiding in Duitsland begin jaren dertig maar niks. Dus wat deed hij? Hij ging zelf een opleiding verzorgen, in Finkenwalde. Een predikantenopleiding betekende voor hem niet een studie klassieke talen en bijbelexegese, maar gebroederlijk samenleven, de Bergrede in praktijk brengen, leren consequent te zijn. Ik bewonder hem om de onwaarschijnlijke consequentie waarmee hij de daad bij het woord voegde, tot aan de strop toe na zijn betrokkenheid bij de aanslag op Hitler. Als je volhoudt dat het niet aangaat om onrecht over je kant te laten gaan, als je in praktijk brengt wat je in de kerk gelooft, dan loop je allerlei risico's.

Zo zijn we weer terug bij mijn ontslag. Toen ik drie maanden thuis zat, zei mijn zoontje: Pa, wat je ook van plan bent, zonder een schuur begin je niks. Je begrijpt, ik ben meteen gaan bouwen. Doordat de hele Vinkenbos is opgetrokken en ingericht met materiaal uit de tweedehandsbak, heeft de ruimte vanzelf sfeer gekregen.

Toen de schuur er eenmaal stond, ben ik rond gaan kijken wat er al was aan opvang voor overspannen mensen. Toen bleek mijn idee een gat in de markt. Tot op heden was het zo dat wie door de huisarts overspannen was verklaard, thuis onder de wol kroop. Of, nog erger, voor de televisie. Doordat de rest van het gezin niet gewend is aan de aanwezigheid van de overspannene overdag - die was immers altijd op het werk - raakt de boel ontregeld. In plaats van uit te rusten gaat zo iemand zich overbodig en nutteloos voelen.

Nu kan zo iemand naar de Vinkenbos verwezen worden. Hij is hier dan welkom op werkdagen van half negen tot vier. Niet om behandeld te worden, dat kan ik niet. Maar om mee te draaien in een zinvolle dagtaak en daardoor tot rust te komen. Dat zal niet in een dag gebeuren, maar dat hoeft ook niet. Niet alles is te koop. Gemoedsrust moet je bevechten. In de Vinkenbos mag je daar desnoods drie maanden de tijd voor nemen. Daarna moeten de gast en ik weer van elkaar af, om de wederzijdse onafhankelijkheid te bewaren.

Uiteraard beginnen we de dag in stilte, in de schutse. Daarna gaan we aan het werk met klei, graan, hout. Oermaterialen die heel anders aanvoelen dan het front van de laserprinter of het stuur van de BMW. Als het waar is dat de mens uit de aarde genomen is, dan moet eenieder in die aardse materialen iets van zichzelf kunnen herkennen. Als tijdens het werk de gong klinkt, proberen we ons even los te maken van wat we aan het doen zijn voor een moment van bezinning. Die combinatie van arbeid en zingeving bepaalt het hele verloop van de dag. Hans en ik staan open voor gesprekken met de gasten, maar alleen volgens de afwas-tactiek. Dat is het tegenovergestelde van een therapeutisch gesprek. De afwas-tactiek hebben we afgekeken van het klooster. Daar ontstaan de beste gesprekken vaak in de spoelkeuken, waar de monniken en hun gasten, gebogen over de afwas staan. Door gezamenlijk een klus te doen, kunnen we tot de uitwisseling van gedachten komen, maar we gaan niet tegenover iemand zitten met de woorden: nou, meneer, vertelt u eens, hoe is dat allemaal zo gekomen.''

mailIcon print |