*

 
dossier

Archief

BELGIE - Verdriet van België vond in Doel zijn uitdrukking

JAN KUIJK − 02/02/98, 00:00

Het is kenmerkend voor het gebrek aan historisch besef dat er geen rilling door het land is gegaan bij het bericht dat het dorp Doel op twee kilometer afstand van de Zeeuws-Vlaamse grens gedoemd is te wijken voor een uitbreiding van de Antwerpse haven.

De eerste vraag, die bij een Nederlander moet opkomen, is immers: geldt dit ook voor de begraafplaats van Doel - één van de lieux de mémoire van de geschiedenis, die wij met België delen? Is het dan helemaal uit ons collectieve geheugen verdwenen hoe hier in oktober 1783 twee eeuwen Belgische frustratie over de Nederlandse afsluiting van de Westerschelde - en dus de wurggreep op de Antwerpse haven - tot een uitbarsting kwam?

Na 1585, met de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden was het met de welvaart van de eens zo bloeiende haven- en handelsstad gedaan. De wettige souverein zat in Madrid (en na 1713 in Wenen) maar niemand van hen die naar de stad omkeek.

De Antwerpse kooplieden hadden geen andere wapenen tegen de Nederlanders tot hun beschikking dan requesten en gedichten in de trant van Wil de schandelijke banden breken/die 't gierig Amsterdam ons heeft aangelegd, maar dat was alleen maar schilderachtig en haalde niets uit.

Dat leek anders te worden in 1780 met de komst van Jozef II op de Weense keizerstroon. Deze had tijdens zijn leerjaren als vorst al eens incognito de Republiek bezocht om te kijken hoe de zaken hier geregeld werden en nog maar net als keizer ingehuldigd, vertoonde hij zich in 1781 ook aan zijn Belgische onderdanen - de eerste vorst na Filips II die de Belgen met eigen ogen mochten aanschouwen.

Dat was niet alleen een verrassing, maar ook een impuls voor het Belgische zelfvertrouwen - zeker toen Jozef II ook nog eens lippendienst bewees aan de Antwerpense ambities. Van hem hadden de Belgen zelfs gehoord dat “de vrije doorvaart op de Schelde weinig betekent wanneer men niet tevens over beide oevers en zelfs over een deel van Zeeland beschikt”.

Dat was schrikken in de Republiek, die zich op dat ogenblik in haar stervenfase bevond en onder deze erbarmelijke omstandigheden ook nog eens haar vierde oorlog met Engeland - vanouds de bondgenoot bij het beknotten van Antwerpen - moest uitvechten.

Het is achteraf gezien allemaal wonderbaarlijk goed afgelopen voor de Nederlanders, omdat de keizer inmiddels elders in Europa andere besognes aan zijn hoofd had gekregen en Frankrijk zich inmiddels geroepen voelde de Nederlandse belangen tegenover Oostenrijk en Engeland te verdedigen.

Maar van al de kleine Oostenrijks-Nederlandse schermutselingen uit die tijd mogen we de gebeurtenissen op de begraafplaats van Doel niet vergeten. Daar was op de 17e oktober 1783 een soldaat van het fort Liefkenshoek begraven, zoals eeuwenlang de doden uit deze hoek van Staats-Vlaanderen in Doel begraven werden.

Alleen was kennelijk die dag een irritatiegrens overschreden, want een paar dagen na de begrafenis kwam een detachement keizerlijke troepen naar Doel. De gestorven soldaat werd opgegraven en het lichaam vol verachting in de gracht van fort Liefenshoek gegooid.

Het verdriet van België had na twee eeuwen hier zijn uitdrukking gevonden.

mailIcon print |