*

 
dossier

Archief

ONDERBOUW BASISSCHOOL

EDWIN KREULEN − 21/01/98, 00:00

Waar is ze gebleven, die lieve juf die spelenderwijs, met fijne verhaaltjes en af en toe met een stevige en besliste hand de generatie kleuters bezighield die nu volwassen zijn?

Ze was te lief, deze kleuterjuf, om zich in 1986 hard te maken toen haar eigen school opging in de basisschool en de leerkrachten in de hogere klassen de macht naar zich toetrokken. Zelfs haar eigen kleuterleidsters-opleidingsschool (klos) werd zonder pardon opgeslokt door deze types met meer status. De juf moest 'breed inzetbaar' worden.

Maar ze vecht terug. De oude kleuterjuf maakt inmiddels deel uit van het team leerkrachten dat de onderbouw van de basisschool - de eerste vier groepen - lesgeeft. Ze is nu een 'leerkracht gespecialiseerd in het jonge kind' die moet beschikken over een complex van vaardigheden en inzichten waarnaast de leerkracht van de bovenbouw - groep 5 tot en met 8 - in de basisschool verbleekt.

Het oude spelen in de kleuterklas is in de termen van Frea Janssen-Vos vervangen door 'het zó opbouwen van de meest motiverende spelactiviteiten dat je als leraar sturingsmomenten kunt inbouwen voor specifieke ontwikkelingen.'

Sturen van die jonge geesten, dat klinkt nogal benauwend. Janssen, die in dienst van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) menig onderbouw begeleidt en ook wel 'kleutergoeroe' wordt genoemd: “Je stuurt in het onderwijs altijd. Dat deed de vroegere kleuterleidster ook. Het gaat erom die activiteiten en begeleiding te kiezen waarmee kinderen het meest geholpen zijn. Sturing is altijd nodig, want ontwikkeling gaat niet vanzelf. In groep 3 moeten ze binnen drie maanden al kunnen lezen, ook als ze bijvoorbeeld als allochtoon nauwelijks Nederlands spreken bij binnenkomst. Bovendien dringen allerlei maatschappelijke ontwikkelingen door in de onderbouw. Neem de computer. Dat kun je niet negeren, ook niet in de kleuterklas.”

Het gaat daar om grote risicogroepen. Drie kwart van alle verwijzingen naar het speciaal onderwijs gebeurt in de onderbouw. Dat wil niet zeggen dat spelen verboden is.

Janssen: “Maar het gaat nu niet meer alleen om gefröbel met werkjes en puzzeltjes. Je laat jonge kinderen rollenspelen doen, alsof ze in een ziekenhuis zijn of bij de bakker. Weerspiegel de volwassenenwereld, dat vinden kinderen interessant. De poppenhoek is echt niet meer de meest boeiende plaats voor de huidige kleuter. Doe ook zelf met de kinderen mee, dat levert veel meer op.”

Voor allerlei vakgebieden, als taal en rekenen, ontwerpen nu afzonderlijke commissies van deskundigen leerlijnen die de beginnende kleuter probleemloos en zonder onderbreking door de basisschool helpen.

Janssen: “Op zich is dat positief, maar ik vraag me wel eens af wie het uiteindelijk allemaal samen gaat brengen op zo'n manier dat de leerkracht er niet mesjokke van wordt.”

Spelen en leren: in de gedachten van de onderwijsvernieuwers en ook van staatssecretaris Netelenbos mag het geen tegenstelling zijn in de onderbouw. “Spelen is natuurlijk prima, maar het moet wel ergens toe leiden”, vat een woordvoerder van Netelenbos die gedachte samen. Ook in de kleuterklas.

Kete Kervezee bestiert als procesmanager voor de pabo's onder meer de vernieuwing van de opleiding tot kleuterjuf.

“Voor dat specialisme zijn nieuwe inzichten uit de ontwikkelings- en leerpsychologie steeds belangrijker. De opleidingen gaan daaraan nu meer aandacht besteden, zeker als het gaat om de allerjongsten. De specialisatie wordt belangrijker: van de vier jaar moet je zeker ruim een jaar kunnen besteden aan vakken over onderwijs in de onderbouw.”

“Met alleen maar zeggen dat jonge kinderen vooral moeten spelen, doe je ze in feite tekort. Je maakt een karikatuur van het onderwijs, dat juist in die eerste fase heel belangrijk is. Kleuters zijn heel nieuwsgierig. Uit onderzoek blijkt hoe subtiel leerkrachten dat soms miskennen. 'Ik heb daarvoor nu even geen tijd', zeggen ze. Best begrijpelijk gezien alle drukte, maar dodelijk voor de ontwikkeling van een kind als het vaak gebeurt. Kinderen gaan afhaken, wat we juist moeten voorkomen.”

“Ik wil de oude kleuterjuf niet kleineren, maar het argument dat het tot nu toe zo goed is gegaan, is volstrekt onvoldoende. Veel mensen komen goed uit het onderwijs, maar waar blijft de rest? Dertig procent van de Nederlanders gaat zonder diploma de arbeidsmarkt op. Die uitval ontstaat heus niet alleen op de middelbare school. Zie het als een verzameling cirkels, met de kleuterklas als kleinste cirkel. Als je daar een partje mist, vergroot zich dat in de latere cirkels enorm uit.”

Kervezee vreest bijvoorbeeld een computertweedeling, als de basisschool juist in de onderbouw niet ingrijpt. “Ouders met een goed inkomen hebben een computer thuis, die jonge kinderen komen vanaf het begin goed mee. Anderen niet, die gaan stoer doen alsof ze het niet belangrijk vinden en missen de boot. Dat wordt steeds sterker een probleem.”

Een ander probleem is nog steeds de hierarchie op school: lesgeven in de hogere klassen heeft meer status. Kervezee: “Didactisch is dat onzin. Op dat gebied moet een leerkracht in de onderbouw meer weten dan een hoogleraar.”

Maar wordt het niet te ingewikkeld voor de leraar om alles te weten? “Dat kun je oplossen door binnen het team voor de onderbouw de taken te verdelen: de een zorgt dat-ie alles weet van rekenen en wiskunde, de ander is taalspecialist en bij elkaar gaan ze te rade”, zegt Kervezee. “Bijscholing is echt noodzakelijk.”

“We hebben geen behoefte meer aan iemand die alleen dertig werkjes op de waslijn kan hangen”, zegt Toon van Himbergen van de katholieke pabo De Kempel in Helmond. Vanaf het laatste gedeelte van dit schooljaar worden de studenten op deze pabo nog grondiger en systematischer in hun specialisatie - onderbouw of bovenbouw - ingevoerd dan voorheen. In het laatste jaar moeten hun meeste vakken aan dit specialisme refereren. Tegelijkertijd waakt de pabo voor een nieuwe tweedeling. “Ook de overgang van groep vier naar vijf moet soepel verlopen.”

De pabo gebruikt daarvoor onder meer het zogeheten 'ontwikkelingsgericht onderwijs'. Een snel oprukkend concept waarin de ervaring en eigen ontwikkeling van kinderen centraal staat. Een werkwijze die vooral aansluit op het ontwikkelingsniveau van kleuters, maar die ook in de hogere klassen toegepast kan worden. Zo wordt een breuklijn tusssen onderbouw en bovenbouw voorkomen.

“Leerkrachten zijn van huis uit doeners. Dat is goed, maar ook in de lagere groepen is het van belang je af te vragen: hoe staat ieder kind ervoor en wat wil ik bereiken?” zegt Jozef Kok, die bij het procesmanagement primair onderwijs onder meer vernieuwing op de basisschool in de gaten houdt. “Je bent met verschillen bezig, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat je sommige kinderen opgeeft.”

Je bent als leerkracht niet meer de bron van alle kennis, zegt Kok. Een vernieuwing die niet alleen voor de universitair docent geldt, maar ook voor de kleuterjuf. “Je bent vooral ook strategisch bezig. Dat vraagt veel van de pabo, maar daarmee is het nog niet gebeurd. Je moet ook daarna eigenlijk continu jezelf ontwikkelen, ook door bijscholing. Er zit veel geld daarvoor bij allerlei instanties buiten de school, zoals de gemeente en samenwerkingsverbanden met het speciaal onderwijs.”

“Je bent didacticus, maar ook een beetje psycholoog. En je moet iets weten van diagnostiek, om mogelijke problemen tijdig op te kunnen sporen. Al met al vraagt de baan nu veel meer dan vroeger. Een van de kleuterleerkrachten moet dat allemaal coördineren. Die is het geweten van de rest. Zo iemand is nodig naast de schooldirecteur.”

Specifieke deskundigheid van het jonge kind is steeds sterker gewenst, nu je ook ziet dat een schooldirecteur vaak over verschillende scholen de scepter zwaait. Voor die nieuwe 'kleuterbovenjuf' die haar macht heeft uitgebreid naar de eerste vier klassen - ook Netelenbos denkt aan die mogelijkheid om de onderbouw te verbeteren - willen de procesmanagers voor de basisschool een extra opleiding, bovenop de bestaande pabo.

“Dat geldt trouwens ook voor andere specialisaties op de basisschool, zoals computers en taal. Het is toch te gek voor woorden dat leraren, die zelf permanent lesgeven, nooit meer onderwijs hoeven te volgen als ze eenmaal zijn begonnen. Zeker als je ziet hoeveel er verandert. Je geeft tevens leerkrachten perspectief op een toekomst buiten het onderwijs. Daarmee maak je, gek genoeg, het beroep juist aantrekkelijker. In de onderbouw zijn ook meer mannen nodig. In Engeland is de regering-Blair daarvoor speciaal een campagne begonnen, nadat bleek dat jonge jongens zich nauwelijks konden identificeren met al die vrouwelijke leerkrachten en daardoor minder voor het onderwijs gemotiveerd waren.”

mailIcon print |