*

 
dossier

Archief

Smeets

Mart Smeets − 16/01/99, 00:00

Het Afscheid is in stijl gevierd. Er zijn mooie woorden gesproken over Mike Jordan, overal ter wereld zijn highlight-filmpjes vertoond en iedere commentator, columnist en stukjesschrijver, tekstschrijver of televisie-redenaar had het wel over de enorme sommen geld die onlosmakelijk met de man verbonden waren. Ik las ergens dat Jordans loopbaan in de NBA, dus zeg vanaf medio '84, voor een totaal van tien miljard dollar had gegenereerd. Rekenwonders bij het blad Forbes hadden dat op een regenachtige middag zitten te becijferen.

Ik heb geen idee hoeveel geld dat is.

Ik denk veel.

Twee zaken vielen me deze week op: allereerst dat Jordan zelf nauwelijks over geld sprak en ook de hem omringenden niet. Vonden zij dat onderwerp niet belangrijk genoeg bij dit afscheid? Het leek erop en ze hadden gelijk. De man deed wat hij goed kon, verdiende daar heel veel mee, liet ook anderen genieten en verdienen en op het moment dat hij wegstapte uit deze sportwereld had hem voor hem geen pas om over dollaars te gaan praten. Dat topsport en geld, met name aan de andere zijde van de plas, wél het gesprek van de dag waren, was weer een andere zaak. Mike Jordan boog ons toe: hij gaat nu andere dingen doen en zelfs wat hij gaat doen werd door anderen alweer onmiddellijk in verband met geld gebracht.

Even een zijstap: een dag voor Het Afscheid was daar die veiling van Amerikaanse sportmemorabilia. De bal die Mark McGwire over de hekken joeg voor zijn zeventigste homerun van afgelopen honkbalseizoen, ging over de toonbank voor meer dan vijf miljoen gulden. Iemand had dus dat bedrag over voor honkbal-met-historie. De mensen die erbij waren en toekeken en toeluisterden, hielden hun adem voor een moment in: 2,7 miljoen dollar voor één bal, was de wereld gek geworden?

Neen hoor, want het kan nog gekker. De Washington Redskins, een beroemde (en slecht spelende) ploeg uit de NFL werd te koop aangeboden. Een bankier uit New York en enkele van zijn zakenvriendjes legden 800 miljoen dollar neer voor de organisatie. Juist, een bedrag waarvan wij ook niet weten hoeveel dat precies is. Wie bepaalt die hoogte? Wie heeft zoveel geld? En hoe is dat, denk ik wel eens, zo verdiend door de de betrokkenen?

En dan was er ook nog het olympisch (smeer)geld. Of was het smerig geld?

Het leek haast wel of die keurige mensen uit de Mormonenstaat Utah alle ongeoorloofde praktijken ter wereld naar boven hadden gehaald om hun olympische speelgoedje van twee weken toegewezen te krijgen.

Omdat ons nationale olympische symbool, Anton Geesink, erbij betrokken was, volgden we deze financiële acties nog meer dan die veiling en die aankoop van die sportploeg. Hier kleefde namelijk een vies luchtje aan. Het hield ons bezig, hoewel het niet het allergrootste geldbedrag ter wereld was waar Geesink mee opgescheept zat.

(Want wees nu eerlijk, wat is een donatie van vijfduizend luizige dollartjes? Wat? Iedere dollar is er een te veel! Ja, maar dat is wel heel erg principieel. Ach, relativeer dat toch. Het was toch voor zo'n bestelbusje met t-shirts. Ja, maar omkopen begint bij één dollar en dus... Dus wat? Barbertje moet hangen. O, vindt U dat? Ja, zonder meer.)

Dat er een gek vijf miljoen over heeft voor een honkbal (wie zegt me dat dit inderdaad de recordbal is?) of dat een welopgevoede yup met zijn vriendjes een kapitaal kan neerleggen om een footballploeg als speelgoedje te kopen, liet ons eigenlijk koud. Dat was niet ranzig genoeg. Jordan ook niet. Hij was schoon, had het allemaal mooi en eerlijk gedaan en dus bleef Geesink als martelaar over.

Ik heb hele ambivalente gevoelens als ik hem zie hoor. Voor de televisie kwam hij met een jammerverhaal dat hij wel tien keer van Utrecht naar Den Haag was gereden en daar 240 gulden voor gedeclareerd had, nadat anderen daar op aangedrongen hadden!

Ineens zag ik het plaatje: Jordan tien miljard dollar, McGwire's honkbal vijf miljoen dollar, de Washington Redskins 800 miljoen dollar en Geesink 240 gulden.

Alles was ineens in perspectief getrokken.

mailIcon print |