De tefoon gaat. Een journalist van Het Parool aan de lijn. “Professor Bovenkerk heeft vandaag gezegd dat enkele tientallen procenten van de Turkse mannen betrokken zijn bij drughandel. In Bos en Lommer wonen toch veel Turken? Wat gaat u daaraan doen?” De openbare verhoren van de parlementaire enquête over de zware criminaliteit en de opsporingsmethoden van politie en justitie zijn begonnen, realiseer ik mij. Maar ook, dat het publiekelijke zoeken naar de grenzen van wat wel en niet toelaatbaar is bij die methoden tien jaar te laat is gestart. Alleen dat is de journalistieke vraag niet. “In Bos en Lommer kan ik niet aan iemands neus zien of hij in de drughandel zit. Het opsporen van zware criminaliteit is ook niet de taak en de bevoegdheid van een stadsdeel.” Ik voeg er nog aan toe dat onze taak vooral ligt in het op alle mogelijke manieren betrekken van de allochtonen bij de samenleving. Dat gebeurt door middel van onderwijs, taallessen, opvoedingsondersteuning, maar ook door het subsidiëren van integrerende activiteiten van migrantenorganisaties. Aan de andere kant van de telefoon is voor dat thema niet veel belangstelling. Het hete nieuws gaat over iets anders.
De volgende dagen gaat de discussie vooral over de vraag of Bovenkerk zijn stevig getoonzette uitspraken kan waarmaken. Ook ik ben van mening dat als een professor zoiets beweert, hij wel met bewijzen moet komen. Op losse flodders zitten we echt niet te wachten. Dat vertroebelt alleen maar. En zeker van iemand als Bovenkerk, die als een van de eersten verstandige dingen heeft gezegd over het minderhedenbeleid, verwacht ik geen onnodige stigmatisering. Maar ook voor mij is de tijd van ontkenning voorbij. Als verhoudingsgewijs veel allochtonen zich aan drughandel verrijken, dan is dat een vermeldenswaardig feit. Tegelijkertijd is het een feit dat zulks voor een veel groter deel niet geldt. Met dat deel heb ik in de eerste plaats te maken en voor mij als dagelijks bestuurder van een stadsdeel verandert er dus niets. Hoogstens kan door extra inspanningen getracht worden het grootste deel nog groter te maken.
Inspanningen voor dat andere deel zullen, als het om harde criminaliteit gaat, moeten komen van politie, justitie, de stedelijke regionale en landelijke overheid. Het is en blijft een schande hoe die instanties elkaar de laatste jaren hebben tegengewerkt. Het rapport-Wieringa over de interregionale teams heeft dat pijnlijk zuiver vastgelegd. En uit de eerste verhoren van de enquête-commissie blijkt reeds hoe weinig zicht en greep de hoogste bazen van bestuur, politie en justitie op het geheel hadden. Terwijl de opsporingsbevoegdheden en mogelijkheden keer op keer zijn verruimd, is de controle op dat alles schromelijk verwaarloosd. Ook in de politiek is de warme belangstelling voor dit onderwerp te lang gering geweest. De misdaad-enquête moet dan ook als een inhaalmanoeuvre worden beschouwd.
Daarmee is opnieuw de vraag aan de orde, waarom ook in de politiek de juiste vragen niet op het juiste moment worden gesteld. Deels ligt de verklaring in het feit dat het bij opsporingstechnieken om halfduistere zaken gaat. De criminelen luisteren mee. Maar een deel van de verklaring ligt ook, zo weet ik uit ervaring, bij de procedurele gang van zaken in de politiek. Midden tachtiger jaren is er wel eens een mondeling overleg in de Tweede Kamer gehouden over infiltratie, informatie en pseudo-koop. Maar hoe gaat dat? Eerste termijn van de kant van de Kamer, dan antwoordt de regering. Als er tijd is nog een tweede termijn. En dan zijn we weer een half jaar verder. Er bestaat te weinig een klimaat van doorvragen en doorzagen. Of laat ik het preciezer formuleren. Hoe meer er op het spel staat (zie ook de uitzending naar Bosnië) hoe minder kritisch er wordt geopereerd. Het goede doel maakt doof en blind. Tot het finaal uit de hand loopt. Dan rest het instrument van het onderzoek en de enquête. Het is goed dat het instrument er is, maar elke keer dat het uit de kast gehaald moet worden, is één keer te veel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.