De auteur is missionair toeruster van de SoW-kerken in Apeldoorn.
Mijn verhaal was beslist geen analyse waarin recht werd gedaan aan de complexe realiteit van kerken in Europa en Afrika, zoals ds. Jaap Kraan (Podium 16 december) terecht opmerkte. Het was eerder een hartekreet, een roep om inspiratie en uitstraling van de kerken, waar mijns inziens nog erg veel aan schort. Hartekreten zijn nu eenmaal sterk aangezet. Ik zal proberen enkele van mijn uitspraken te nuanceren door de bedoeling ervan te verhelderen.
Ten eerste moet me van het hart dat mijn critici mijn associaties bij de foto's (respectievelijk zingende en swingende Afrikanen en een Nederlands kerkinterieur) wel erg letterlijk hebben geïnterpreteerd. De bewuste foto's dienden voor mij als metaforen, symbolen die je heel verschillend kunt interpreteren. Het ging er mij niet om dat wij in kerkelijk Nederland meer zouden moeten dansen. Het Afrikaanse dansje was voor mij eerder een zinnebeeld van dynamiek en beweeglijkheid, niets meer dan dat.
Heilige huisjes Het enige dat ik heb gewild is wat kritische vragen stellen bij het huidige kerkelijk leven in Nederland. Het ging mij om een bewustwording van wat de kern van kerk-zijn in Nederland uitmaakt. Wat zien de kerken als hun identiteit, als hun missie? Waarin steken zij hun tijd, geld en energie? In het in stand houden van de 'heilige huisjes': kerkgebouwen, predikantsplaatsen en kerkstructuren? Alle SoW-perikelen, de zorg om kerkelijke vacatures, ledenverlies en inkomstenderving bepalen naar mijn idee nog maar al te vaak de kerkelijke agenda's. Doodzonde vind ik dat. In de kerk zou het toch vooral moeten gaan om het opdoen van inspiratie, het delen van geloof, hoop en liefde?
Ik zie best een positieve kant aan het feit dat mensen zich zorgen maken over de toekomst van de kerk. Ik heb er heus wel begrip voor. Mijn bezwaar tegen veel vormen van 'zorg om de kerk' is echter dat ze vanuit een zekere behoudzucht zijn geboren. Die bezorgdheid werkt echter niet creatief, eerder verlammend. Twee voorbeelden uit de praktijk maken dat duidelijk. Een predikant van een grote, monumentale kerk in Apeldoorn vertelde me naar aanleiding van mijn Podiumartikel (waarin hij zich helemaal kon herkennen) het volgende verhaal. Zijn kerkeraad had niet lang geleden de verwarming van het kerkgebouw voor een miljoen laten vernieuwen door een computerbestuurd systeem aan te laten leggen. Binnen een aantal jaren zou deze enorme investering zichzelf weer terugverdienen in lagere energiekosten. Maar achteraf bleek dat nogal tegen te vallen. Het nieuwe systeem was helemaal niet zoveel goedkoper dan het oude. Een vervelend rekenfoutje? Of meer het gevolg van een verkeerde prioriteit en investering van kerkelijke middelen? Voor hetzelfde geld zouden drie mensen vijf jaar lang als kerkelijk opbouwwerker of zendeling in Nederland te werk kunnen worden gesteld.
Een tweede voorbeeld: een paar jaar geleden moesten de gereformeerde kerken in Apeldoorn een van haar kerkgebouwen afstoten. De gemeenteleden van die kerk zouden vervolgens bij een naburige wijkgemeente worden ingedeeld. Maar de afstoting van hun gebouw heeft de gemeenteleden van de betreffende wijkkerk zoveel geestelijke schade berokkend, dat slechts 10 procent van hen zich bij die naburige wijkkerk heeft aangesloten. Dat wil zeggen dat 90 procent van hen is uitgezworven naar allerlei andere kerken (wat op zich niet zo erg is) òf zich helemaal van de kerk heeft losgemaakt (wat veel pijnlijker is). Het sluiten van kerken is in veel gevallen misschien onvermijdelijk. Maar wat mij als dieptreurig in dit verhaal voorkomt, is het feit dat deze gelovigen hun kerkgebouw als een heilig, onvervreemdbaar goed zijn gaan beschouwen. De heiligheid van de kerk is meer in een hoop stenen gaan zitten dan in hun hart of in hun onderlinge verkeer.
Zolang ik nog dit soort verhalen blijf horen denk ik dat het niet best gesteld is met de kerken. Overlevingsmechanismen zitten diep in onze geestelijke poriën. Maar ze werken contra-produktief. Daarom vroeg ik me hardop af hoe het zit met onze bezieling, onze Geestgedrevenheid, onze openheid voor nieuwe wegen.
Natuurlijk zijn er ook heel andere, meer positieve verhalen te vertellen. Maar er wordt daarnaast in veel kerken veel energie verspild aan rand- en bijzaken. Ik mis nog zo vaak nieuw missionair elan. Ik wil met mijn kritische noten geen klaagzang aanheffen of een dodenmars inzetten. Ik wil de kerken vooral uitdagen de bakens te verzetten. Richting Afrika? Nee, niet in de zin dat we hun danspasjes zouden moeten imiteren. Wel in de zin dat we van hen kunnen leren dat geloven met het hele leven verbonden is, beweeglijk is en niet aan allerlei mooie, historische gebouwen gebonden is.
Inspiratie In mijn sombere buien denk ik wel eens dat de kerk in Nederland eerst een ruïne moet worden, en helemaal afgebroken, voordat er iets nieuws opgebouwd kan worden. Ik zou dat trouwens niet eens zo erg vinden. Omdat ik geloof dat er altijd en overal mensen zullen zijn die op zoek gaan naar zingeving, naar inspiratie, naar God. Die mensen zullen daarvoor ook altijd zoek- en vindplekjes blijven scheppen. De kerk is daarvoor een prima middel, maar niet meer in haar huidige vorm van grootschalige bijeenkomsten in kerkgebouwen en met allerlei heilig geachte structuren als het ambt van predikant, ouderling of diaken. Ik geloof dat de toekomst van de kerk veel kleinschaliger zal zijn: meer huiskamerachtige leer- en vier-bijeenkomsten, allerlei gesprekskringen en ontmoetingsplekken.
“Als God werkelijk bestaat en geen illusie is, dan hoop ik dat Hij uitgebluste gelovigen opnieuw zal inspireren”, was een zin uit mijn Podiumartikel die veel verwarring heeft gesticht. Ik heb ermee willen zeggen: geloof nou in je geloof! Als God echt bestaat - en volgens mij is dat het geval - dan kun je erop vertrouwen dat Hij (of Zij) zorg draagt voor de wereld, voor ons landje en ook voor de kerk in dit landje. Maar als we de kerk in haar huidige vorm met man en macht overeind willen houden, dan schort het ons misschien aan geloof.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.