*

 
dossier

Archief

Gedumpt in treurige Wijk Vier van een woestijnstad

INEZ POLAK − 30/05/98, 00:00

Jehoeda Alouche, een politieke activist, groeide op in Sjchoena Dalet, Wijk Vier, in de woestijnstad Beer Sjeva. Nu prijkt zijn portret overal op de aanplakbiljetten. Hij doet mee aan de verkiezingen voor de gemeenteraad, namens zijn wijk, voor zijn wijk, die vooral berucht is om zijn armoe en drugs.

“Kijk, eigenlijk scheidt alleen die grote weg ons van de universiteit. Maar voor kinderen uit Wijk Vier, is het oversteken van die weg een sprong naar een andere wereld. Want zelfs hier op die universiteit naast de deur zijn wij oriëntaalse Joden nog verre in de minderheid.

Zie je hoe foeilelijk het hier is! Die woonblokken zijn begin jaren zestig in ijltempo neergezet om onderdak te bieden aan de nieuwkomelingen uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Vaak hadden ze dan al jaren doorgebracht in opvangkampen, tenten, op zijn best barakken. Dit hier was luxe!

Nu wonen hier vijftigduizend mensen, met alle ellende van drugs en misdaad. Wegkomen lukt niet. Eerlijk gezegd wist ik vroeger niet dat je ook anders kon leven. Mijn vader komt uit Tunesië, mijn moeder uit Marokko. We hadden het gezellig in de wijk. Je leefde met elkaar, feesten op straat niet zoals nu in zalen. En alle buren hielpen. De wereld zat simpel in elkaar: de westerse Joden waren de buitenwereld, de ambtenaren, de overheid. Wij sefaradiem, oosterse Joden, waren de arbeiders. Alle aandacht was gericht op de vijand, de Arabieren. Het gaf mijn ouders het gevoel dat er nog een lagere klasse was: de Arabieren, die kon je haten. Ze waren de bliksemafleider. Elke keer als er sociale onrust dreigde, werd dat door de overheid afgedaan met 'niet nu, de vijand staat voor de deur, ze willen ons vernietigen, ze willen ons in zee gooien. Ooit komt het goed en dan zullen ook jullie het goed hebben'.

Maar na de grote overwinning in 1967 gebeurde er nog niets en de onvrede groeide. Tenslotte hadden ook wij in de oorlog meegevochten, waren ook onze zonen gesneuveld. Wij hadden toch ook meegeholpen het land op te bouwen? Waarom hadden zij dan nog steeds de macht? Je had toen de Zwarte Panters, jongeren uit de wijken, die in opstand kwamen. Premier Golda Meir wuifde ze weg, deed ze minachtend af als 'onaardige jongens'.

De heersende elite stond niet toe dat wij meespraken. Ze wilden een nieuwe maatschappij, eenheidsworst. Alle immigranten uit Noord-Afrika moesten breken met hun geloof en tradities. Mijn vader vertelt zelfs dat toen hij als jongen van een jaar of veertien uit Tunesië emigreerde, zijn groepsleiders uit Israël een soort ceremonie op touw zetten. Ze legden een kampvuur aan en wilden dat de kinderen hun gebedskleed en gebedsriemen in het vuur gooiden. Anders mochten ze niet naar Israël. Voor mijn vader en de andere kinderen waren dat hun belangrijkste bezittingen, ze hadden ze zojuist gekregen voor hun Bar Mitswa. Mijn vader heeft als enige van de groep geweigerd.

Het heeft ook niet gewerkt. In Israël, in de wijken, ontstond een aparte cultuur: 'de cultuur van de muilezel', die groeide tegen de verdrukking in. We hadden onze eigen rabbijnen. Voor ons zijn rabbijnen niet alleen een kwestie van geloof. Ze hebben een sociale betekenis. Je kan op een vrijdagmiddag met vrienden bij elkaar zitten en dan vertelt er een dat hij bij een bepaalde rabbijn of 'mekoebal' (een wijs man aan wie magische krachten worden toegeschreven - red.) is geweest. En dan besluiten we met z'n allen dat we naar hem toe gaan om zijn zegen te krijgen.

Tegenwoordig buit de Sjas-partij dat uit. Ze financieren rabbijnen en mekoebaliem die daardoor weer aan invloed winnen en voor de verkiezingen de mensen bewerken. Zo van 'als je Sjas stemt, word je gezegend'. Maar ook ik, als ik politiek hoger op wil, moet ik een bekende rabbijn achter me hebben. Zonder zijn zegen kom je nergens. Ik ga vaak naar rabbijn Eliezer, hier in de buurt, al ben ik niet gelovig.

We hebben ook onze eigen muziek. Onze liedjes hoorde je nooit op de radio, maar ze klonken in elk huis. Het is vrij paradoxaal, want de cultuur die onze continuïteit waarborgde, was de Arabische cultuur, de cultuur van de vijand. We luisterden thuis naar Egyptische en Libanese zangers, Oem Kalsoem, Farid al Atrasj, Abdel Wahab. Onze idolen. We maakten ook zelf muziek, vraag maar aan Jacqueline.''

Jacqueline Levy heeft het gesprek tot nu toe instemmend aangehoord. Ook zij groeide op in Wijk Vier. Ze woont er nog steeds en zet zich net als Jehoeda in voor de wijk. Afgelopen zaterdag was ze in Tel Aviv als afgevaardigde van de 'beweging voor sociale rechtvaardigheid' om een grote demonstratie toe te spreken. Ze heeft haar afkomst mee en gebruikt die ook om hogerop aan te kloppen. Want haar zuster is Zahava Ben, een topzangeres die in het Hebreeuws en Arabisch zingt en ook buiten Israël enorme populariteit geniet, vooral in Egypte en Turkije. “Ik had ook zangeres kunnen worden”, zegt Jacqueline. “Maar ik heb er vanaf gezien. Ik ben getrouwd, heb vier kinderen. Het is allang leuk dat Zahava het zo goed doet. We waren thuis met tien kinderen. Jaren hebben we in een soort barak gewoond, we waren arm, hadden niets. Ik heb mijn school niet afgemaakt. En een van mijn zussen is overleden aan een overdosis. Vaak traden we op met mijn vader die speelde en zong. Dat had hij in Marokko geleerd bij bekende musici. Sinds zijn overleden, heb ik de moed niet meer.

Ik wil niet dat mijn kinderen Marokkaans spreken. Ze moeten goed onderwijs krijgen, Engels leren, zodat ze verder kunnen in hun leven. Mijn oudste zoon moet volgend jaar in dienst. Hij wil verpleger worden in een gevechtseenheid. Leuk vind ik het niet, maar we wonen hier, zijn deel van deze staat, en het hoort er bij. Mijn oudste dochter wil studeren aan de universiteit. Ze wil naar Tel Aviv, weg uit Beer Sjeva, weg uit Wijk Vier. Ze heeft gelijk.''

mailIcon print |