*

 
dossier

Archief

Een slagveld in IJmuiden

HENK VAN HALM − 18/01/97, 00:00

Het is mistig en het vriest zeven graden. De oostenwind gaat door merg en been. In de middag komt een waterig zonnetje door, maar dat maakt het niet aangenamer in IJmuiden.

Negen aalscholvers staan in de berm van het Noordzeekanaal tegenover de Hoogovens. Een kleine honderd meerkoeten lopen te pikken in het bruine gras. Aan de overzijde van het kanaal lopen er nog veel meer. Particulieren rijden af en aan met zakken voer. Een troep van vijftig witte, dus tamme, ganzen heeft zich op de oever verzameld en dringt brutaal op om de voedselbrengers. De meerkoeten wachten tot de mensen zijn vertrokken. Daar heerst geen gebrek. De vogels zien er welgedaan uit. De zwermen kokmeeuwen, die op het open water in het kanaal drijven of stil op het ijs staan, hebben nauwelijks belangstelling voor het voer. Ze zijn al vol.

In de vissershaven liggen trawlers aangemeerd. Bruingevlekte jonge zilver- en stormmeeuwen liggen plat op de buik op de kaderand of zwermen bij de afslag. Zeven grote mantelmeeuwen staan op meerpalen en op het dak van de veiling. Misschien zijn het er wel meer, maar alleen de volwassen vogels zijn door hun zwarte vleugels goed te herkennen. De bruingevlekte jonge vogels zijn haast niet te onderscheiden van even oude zilvermeeuwen.

OP üüN POOT

Drie steenlopers trippelen op de kade. Ze slaan geen acht op vissers, die op een meter afstand voorbijlopen. Vaak hippen ze rond op één poot, een manier om warmteverlies tegen te gaan. In winterkleed zijn steenlopers vlekkerig bruin met witte buik en oranjerode pootjes, heel anders dan in het bonte zomerkleed, waarin je ze in augustus nog wel ziet, als ze net uit het noorden zijn gearriveerd. De steenlopers pikken aan alles wat op de kade ligt en daar is toch nogal eens wat eetbaars bij, getuige hun slikkende bewegingen. Vaak wippen ze naar beneden om hun geluk te zoeken op het dek van een trawler.

Troepjes grote zaagbekken zwemmen achter de aangemeerde schepen. Het zijn er minstens dertig, voornamelijk mannetjes. Boterbuiken noemden we ze vroeger, heel wit met glanzend donkergroene kop en zwarte rug. We kunnen maar drie vrouwtjes ontdekken, grijs met witte borst en roodbruine kop. Grote zaagbekken hebben het formaat van kleine ganzen en liggen vrij plat op het water. Het zijn duikeenden, die van vis leven. Hun rode snavels zijn lang en smal en voorzien van zaagtandjes om de glibberige visselijven goed te kunnen vasthouden. Vijf aalscholvers zwemmen zij aan zij met de zaagbekken. We hebben die combinatie nooit eerder gezien. Eigenlijk zijn de aalscholvers voedselconcurrenten, maar gewoonlijk jagen ze op grotere vis dan de zaagbekken.

IJS OP STRAND

Er ligt ijs op het strand. Waar anders schelpen in de vloedlijnen liggen, stapelen zich ijsbrokken op. De zwinnen zijn bevroren en bij vloed stroomt het water over de ijsvloer. Een paar minuscule drieteenstrandlopers, in hun bleke winterkleed nauwelijks te onderscheiden tussen het ijs, proberen toch nog wat eetbaars te vinden.

De Zuidpier ligt er even verlaten bij als het strand. Heel in de verte zijn alleen twee zeehengelaars bezig. Er drijven mini-ijsbergen tussen de pieren, schotsen uit het Noordzeekanaal. Na een paar honderd meter vinden we de eerste dode scholekster. Hij ligt geknakt tegen een van de grote betonblokken, de fel oranjerode snavel tegen de borst gedrukt.

LOSSE SNAVELS

Er zijn veel scholeksters doodgegaan, hebben we gehoord. Het moet in IJmuiden ook vol losse snavels liggen. We vinden nog twee scholeksterlijken en waarachtig ook twee snavelhelften zonder bijbehorende vogel. De enige redelijke verklaring is dat scholeksters met bevroren snavels toch hebben geprobeerd te pikken, waarbij de snavel is afgebroken.

Steenlopers pikken in een dode soortgenoot. Alleen een rood bebloed karkas met vleugels is over. Kannibalisme uit hongersnood is in de dierenwereld niet ongebruikelijk. De steltlopertjes negeren ons volkomen.

Buitengaats dobberen eenden van verschillende soorten, overwinteraars uit het noorden, waar de elementen nog grimmiger moeten zijn. De middelste zaagbekken, toppereenden, eidereenden en zwarte zee-eenden hebben allemaal een voorkeur voor zout water. Brilduikers zie je ook nogal eens in het binnenland. Ze zijn kort van gestalte, met een dikke kop en een opmerkelijk korte snavel. Je kunt ze aan hun silhouet al herkennen. De donker bruingrijze met de donkerbruine koppen zijn vrouwtjes en jonge woerden. Er is maar één uitgekleurde woerd bij, wit met zwarte dwarsstrepen uitlopend van de zwarte rug, met zwarte kop en een opvallende witte brilvlek tussen snavel en oog.

Er zwemmen ook zeven bergeenden op zee dicht bij de pier. Vast geen Nederlandse vogels, want bergeenden broeden tot op de Noordkaap. Ze ruien in de zomer in de Duitse Bocht tussen Weser en Elbe en overwinteren bij duizenden aan onze kust. Het merendeel verblijft dan in de Waddenzee en de Delta en je ziet ze zelden in IJmuiden. Wel rotganzen, die darmwier eten van de grote steenblokken. Nu is er maar één tussen de bergeenden, een zwartbuikrotgans uit Siberië, de ondersoort die in grote aantallen de winter in ons land doorbrengt.

POOLEXPEDITIE

Met de wind in de rug lopen we tot het einde van de pier. Terug gaat het tegen de snijdende oostenwind in, een ware poolexpeditie. Honderden meerkoeten hebben zich verzameld in de binnenbochten van de pier, vermoedelijk op plekken waar zoet water en zeewater mengen. Een paar oeverpiepers, zomerse bekenden van de Schotse kliffen, vliegen roepend voor ons uit. Bij de bocht vlak achter het doorgaans gesloten toegangshek drijven zevenentwintig futen in de luwte van de basalthelling, waarop een dertig scholeksters driftig staan te roepen. Nog meer scholeksters vluchten weg van tussen de steenblokken aan de voet van de pier, waar zij schuilden voor de wind. Op het strand staan ze in een kring bijeen en beginnen ze ook nerveus te roepen: 'tepiet...tepiet...piet-piet...'

In de jachthaven, ogenschijnlijk zo beschut, is geen vogel te zien. Er ligt alleen een stormmeeuw zieltogend op het plaveisel. De vogel is zo licht als een veer, verweert zich nauwelijks en kan niet meer staan. De dooi komt voor hem te laat.

Natuur deze week

Sijzen komen af op in netjes opgehangen ongepelde pinda's. Sijzen en putters vinden ook nog genoeg zaad in de koppen van kaardenbol en klis en in elzenproppen. Kepen en vinken zoeken onder de elzen naar het zaad dat de sijzen kwistig gemorst hebben. Ze eten ook graag het zangvogelzaad uit de dierenwinkel. - Kramsvogels en koperwieken, die zich in de winter gewoonlijk ophouden in parken en plantsoenen met veel besdragende heesters, hebben de huizen opgezocht. De voorraad bessen aan bomen en struiken slinkt zienderogen. Ook als het niet vriest, zijn lijsters zoals kramsvogels, koperwieken en merels dankbaar voor appelklokhuizen en rot fruit, neergelegd op plaatsen, waar katten niet ongemerkt bij kunnen komen. - Verminder geleidelijk het voeren van de vogels in de tuin, als de vorst is afgelopen en het ijs wegsmelt. Al te abrupt stoppen kan de vogels alsnog in moeilijkheden brengen, omdat niet direct genoeg voedsel voorhanden is. - Het ijs is voorlopig niet uit de sloten. Het water eronder is volledig van de lucht afgesloten. De winterknoppen van waterplanten liggen in de modder te wachten op het voorjaar. Vissen en andere waterdieren leven nu 'op een laag pitje'. Daardoor gebruiken ze weinig zuurstof. Waar het licht door het ijs kan dringen, zorgen microwieren voor voldoende zuurstof. In ondiepe sloten kunnen de planten zich zonder schade laten invriezen. Voor de dieren ligt dat anders. Waar het ijs de bodem bereikt, bevriezen de overwinterende waterdieren. In zulke sloten zal na de dooi nauwelijks nog dierenleven voorkomen. Bij de afbraak van gestorven dieren zullen bacteriën veel zuurstof aan het water onttrekken. Het water herstelt zich sneller als direct na het wegdooien van het ijs dode vis en andere grote dode dieren uit het water worden verwijderd.

mailIcon print |