*

 
dossier

Archief

Romme treedt na superrace uit schaduw van Ritsma

JOHAN WOLDENDORP − 09/02/98, 00:00

NAGANO - Die ene waarzegster kan haar glazen bol gevoeglijk in de glasbak gooien. De kermistante, misschien wel voorzien van drie borsten om de show compleet te maken, had eind vorig jaar voorspeld dat Gianni Romme mislukte Olympische Winterspelen tegemoet zou gaan. De Brabander had het niet gelezen, maar een medewerkster van de provinciale omroep herinnerde hem er bij wijze van nieuwjaarsgroet fijntjes aan.

“Ik was er wel even van geschrokken”, lachte hij, nadat hij met een fantastisch wereldrecord (6.22,20, ruim acht seconden onder zijn eigen toptijd) in de voetsporen van zijn chef de mission was getreden. Want Ard Schenk was 26 jaar geleden in Sapporo, ook Japan, de laatste Nederlandse winnaar van de 5 000 meter. “Tja, waarom zeggen mensen zoiets? Je hebt het in eigen hand. Niemand bepaalt wat er met mijn lichaam gebeurt. De enige die dat doet, ben ik. Heeft ze ook zo misprijzend over de tien kilometer gesproken? Dat maakt niet uit, ze heeft het toch fout.”

Pure stayer

Twee wereldtitels op de langste afstand ten spijt is Romme, de specialist pur sang, altijd in de schaduw van Rintje Ritsma en Ids Postma blijven staan. In een allroundland wordt haast automatisch wat meewarig over pure stayers gedaan. Die komen eeuwig snelheid tekort om tot 'echte' schaatsers uit te groeien. Het noopte Bart Veldkamp drie jaar geleden naar België te vluchten, hoewel hij in 1992 in Albertville als enige Nederlander goud won (op de 10 000 meter) en in '94 te Hamar in een alleszins rammelende race verrassend brons verdiende op hetzelfde nummer. Hij was toen zo weinig overtuigd van zichzelf dat hij voor de huldiging uit het olympisch dorp gehaald moest worden.

Was Veldkamp Nederlander gebleven, dan had het erepodium een uniek aanzicht gekend: drie landgenoten met een medaille om de hals en driemaal het rood-wit-blauw in top. Romme zal na zijn superrace ongetwijfeld uit de anonimiteit stappen.

Of de veelbesproken strips snelheidsopvoerders zijn of niet, wie het op de vijf kilometer presteert om na een halve 'sprintopening' vier rondjes van 29 te rijden en pas in de laatste twee omlopen in 'negatieve' zin doorschiet naar de 31, die rijdt niet alleen een nagenoeg perfecte, maar bovenal een fabuleuze race. En de enige die in staat lijkt die prestatie te overtreffen, is Romme zelf. Hij heeft de locatie al in zijn hoofd: Calgary, waar eind (!) maart de WK afstanden plaatsvinden. “Of hij daar 6.15 kan rijden”, wilde een verslaggever weten. “Dat is wel heel erg snel”, antwoordde Romme. Maar wat is heel erg snel?

Op de midden- en lange afstanden zou de vrolijk lachende badmeester, met ambities om een eigen fietsenzaak te beginnen, wel eens tot de koning van de Spelen kunnen uitgroeien. En niet Rintje Ritsma, die in de laatste ronden moest harken om Veldkamp maar net (op zeven-honderdste) diens twintig minuten oude wereldrecord af te troggelen. Het 'product' Ritsma zet nu in op de 1500 meter, zijn favoriete afstand, maar tegelijkertijd een onderdeel waar de (Nederlandse) concurrentie moordend is. Gemser wist na vier ronden al dat het goud voor Romme binnen was, terwijl die fase staat voor het afsluiten van de periode waarin je als schaatser in je ritme moet zien te komen.

Superbenen

De tien kilometer zou Romme in dertien rond moeten kunnen rijden. Het is in ieder geval niet denkbeeldig dat Johann Olav Koss zijn laatste wereldrecord in de M-Wave ziet sneuvelen. “Ik hoop voor de tienduizend weer dezelfde superbenen te hebben”, houdt Romme het liefst een slag om de arm. “Je moet een gezonde twijfel over de afloop hebben. Ik denk dat dat een goede basis is om een wedstrijd te rijden.”

Je mocht verwachten dat Nederlandse schaatsers op de twee langste afstanden alleen maar concurrentie van een Belg te duchten hebben. Om aan die prognose te beantwoorden, is op de Olympische Spelen altijd een hele kunst. Sporters zijn er vier jaar op gefixeerd. Ritsma, de kernploegschaatsers, de speciaal om die reden 'geëmigreerde' Veldkamp, maar ook de Noren, Duitsers en Japanners speelden een half seizoen verstoppertje om hun ware aard pas in Nagano te hoeven laten zien. Romme was al die tijd nauwelijks af te remmen en bleef ook gisteren nog op zoek naar het ware olympische gevoel.

Ritsma echter, denkt in dit verband graag terug aan 1994, toen hij een uiterst zelfbewuste Koss in de kleedkamer zag rondstappen. De Noor was twee weken daarvoor nog de wanhoop nabij. We zien hem nog in een hoekje van de ijsbaan in Innsbruck techniekoefeningen doen met zijn clubtrainer (en nu Noors bondscoach) Sletten. Alsof hij opnieuw moest leren schaatsen. “Maar in de kleedkamer in Hamar liep hij rond met een gezicht dat maar één ding uitdrukte: Ik ben de kampioen. Dat heeft mij tot voorbeeld gestrekt.” Aldus trachtte Ritsma ook dat aureool boven zijn hoofd te laten zweven, in woord en gebaar.

Toen het er gisteren op aankwam, had hij de pech het toen nog mooie wereldrecord van Veldkamp te moeten breken. Hij wist ook dat de Hagenaar een perfect opgebouwde race had gereden. “Verreweg mijn beste ooit”, zei hij naderhand. De Lemster moest algauw de handdoek in de ring gooien. Hij pakte in het begin wel winst, maar leverde daarna steeds meer in op Veldkamp, verwaarloosde zijn techniek en mocht van geluk spreken dat hij hem net voorbleef. De uitdrukkingsloosheid op zijn gezicht was niet alleen het gevolg van haast dodelijke vermoeidheid. “Je hoopt dat het genoeg is, maar na twee of drie ronden Romme aan het werk te hebben gezien, wist ik dat het voor mij zilver zou worden.”

Romme stond uiteraard voor dezelfde opdracht als Ritsma. Hij was zo gretig dat hij prompt een valse start veroorzaakte. Direct na het herbegin loste hij zijn teleurstellende tegenstander Storelid reeds en koerste zelfbewust op een gewonnen wedstrijd af. “Veldkamp had mijn wereldrecord afgepakt, dat maakte mij een beetje boos van binnen. Je wilt het terug, je wilt winnen. Dat ik na de opening een rondje 29,3 reed, verbaasde me niet. In Heerenveen was dat 29,7. Maar dat ik er nog eens drie 29'ers aan toevoegde, ja, dat verraste me wel. Ik reed gewoon lekker, het ging vanzelf. Maar ik had niet hetzelfde gevoel als Henk Gemser, die na vier ronden al wist dat ik het goud te pakken had. Ik denk dat nooit, dat gaat ten koste van de concentratie.”

Voor zijn coach was het minstens zo'n gedenkwaardige dag. Gemser heeft als schaatstrainer al een hele serie internationale titels binnengehaald. De olympische kroon ontbrak nog op zijn hoofd. Sterker, tien jaar lang botste zijn gemoed tegen de obsessie van Calgary. Toen dacht hij met Gerard Kemkers en Leo Visser twee potentiële olympische goudhaantjes in zijn ploeg te hebben. Visser moest het op de 5000 meter nipt afleggen tegen de Zweed Tomas Gustafson. Het verschil bedroeg 35 honderdste. Schrijnender was de inschattingsfout die Gemser toen maakte. Hij dacht dat de winnende tijd onder de 6.40 moest liggen en stuurde Visser, die het bal moest openen, op zo'n schema weg. De latere piloot beet zich erop stuk. In dezelfde wedstrijd viel Kemkers ook nog vlak voor Gemser's ogen op de kruising. “Ik heb daar gisteren, zij het niet tijdens de race, nog wel eens aan teruggedacht”, zegt de bondscoach. “In 1988 was ik te productgericht. Ik was alleen maar gefocust op de plaatsen één, twee en drie. Dat is nu minder.”

Maar het resultaat was beter. Naast de gouden plak van Romme, het zilver van Ritsma (mede het werk van Wopke de Vegt) en het brons van Veldkamp (ondermeer de verdienste van vader Hans), haalde Bob de Jong een keurige vierde plaats in een even keurig persoonlijk record: 6.31,37. De Zuid-Hollander reed tegen zijn gewoonte in zelfs een mooi gelijkmatig schema.

mailIcon print |