*

 
dossier

Archief

Ik heb in twintig jaar niet één consumptie betaald

MARLIES KIEFT − 10/02/96, 00:00

Lezers van de Gay Krant onderscheidden deze week pater Jan van Kilsdonk (79) met de Gay Krant Award. Hij heeft zich volgens de lezers opgeworpen voor de belangen van homo's en lesbiennes in Nederland en Vlaanderen. Van Kilsdonk werkt in Amsterdam in de anonimiteit en staat veel homo's en aidspatiënten bij.

De ochtend is nodig om tot de moeilijkste dingen te komen; beslissingen nemen, denken over een uitvaarttoespraak.

Rond half negen zit ik in mijn werkkamer en begin met het lezen van een gedicht: In de zwarte nacht... is een mens aangetreden... Vanmorgen las ik dit gedicht van Herman Gorter, dat hij schreef naar aanleiding van de verdrinkingsdood van de zus van zijn kunstbroeder. In dit gedicht heb ik meer verstaan over suïcide dan in welk wetenschappelijk werk ook. Ik heb alles over suïcide gelezen. Als vroeger studentenpastor heb ik te maken gehad met zeker vijftig studenten die hun leven beëindigden, van een flat sprongen of pillen innamen.

De dood speelt een enorm grote rol in mijn leven. Nee. Neerslachtig word ik nooit. Ik ben wel vaak intens bedroefd. Dat openbaart zich in geweldig huilen. Hier op mijn kamer, niet vijf minuten, maar soms een uur lang ben ik fysiek overweldigd door tranen. Dat is misschien een tegenwicht tegen neerslachtigheid.

's Morgens studeer ik twee uur op iets waar ik in de praktijk niet veel aan heb. Ik heb een wetenschappelijke obsessie. Al zeker tien jaar lang bestudeer ik de oorsprongen van het christendom. Wat weten wij van die eerste en tweede eeuw? Documenten hierover zijn uiterst schaars en je moet ze vele malen wikken en wegen om iets te begrijpen. Hoe is dat christusbeeld ontstaan, hoe zat die kerk ambtelijk in elkaar? Dat fascineert me. Daar weet ik alles van. Dan zult u zeggen, ja dat is de ene hypothese en de andere hypothese. Maar, pardon, dit weinige weten voorkomt veel vals weten.

Driemaal daags zit ik aan de kloostertafel in de Ignatius residentie. Daar eet ik en daar wordt ook mijn was gedaan. Ik behoor gewoon tot die religieuze gemeenschap van de Jezuieten, maar woon niet intern. Dit huis was vroeger de studentenpastorie en ik ben daar gebleven.

's Middags ontvang ik zo'n drie à vier bezoeken. Iedere week ga ik een middag naar de aidsafdeling van het AMC. Toen ik 65 jaar werd, in 1982, wilde ik weg uit het studentenpastoraat. Het werk groeide me boven het hoofd en bovendien, je weet niet hoe je oud wordt. In die tijd brak ook de aidscatastrofe uit. Vrij snel werd in het AMC door een oud-leerling een aidsafdeling opgericht. De eerste lichtingen aidspatiënten waren bijna allemaal oud-studenten. Heeft dat virus een voorkeur voor academici?, ging je je afvragen. Gezichtsbedrog. Mensen met aids uit een boerendorp lagen daar nog niet. Vele academici waren naar Amerika geweest, hadden daar het virus opgelopen. Ik werd letterlijk door hen geroepen voor dit werk. Als ik over de afdeling loop, staan de deuren vaak open. Soms loop ik langs iemand die ik niet ken, die wuift. Ik ga dan naar binnen en zeg: 'U kent mij misschien, u wuift zo'.

Tijdens het eerste contact ben ik wat afstandelijk, formeel. Eigenlijk ben ik dat bij ieder menselijk contact. Ik huiver voor het innerlijk van een ander. Ik raak ook nooit iemand aan. Ik heb nogal een ongewone hoeveelheid homoseksuele kennissen voor wie ik diepe eerbied koester en door wie ik diep ontroerd raak. Mij ontbreekt het talent om erotisch door een jongen ontroerd te worden. Dat leidt soms tot een vreemdheid, een kilheid. Sommigen kunnen die terughoudendheid als onaangenaam ervaren: hij zou jovialer moeten zijn.

Tot aan mijn dertigste had ik nooit bewust een homoseksueel mens gezien. Totdat een leerling van me op het Ignatius college suïcide pleegde. In het dagboek dat mij na zijn dood door z'n ouders werd toevertrouwd, bleek hoe hij worstelde met zijn homoseksuele geaardheid. Hij uitte daarin de bittere klacht over het tekort aan aandacht door leraren en ook door mij. Dat heeft diepe indruk gemaakt. Begin jaren zestig hadden homoseksuele jongeren onder de 21 geen toegang tot het COC. Wij hebben voor deze groep feesten georganiseerd. De eerste keer kwamen daar al vijfhonderd studenten op af.

Aan een ziekbed zeg ik bijna niets. Ik weet ook niets te zeggen. Het is vaak de stilte die een ander tot spreken aanvoert. Kijkend luisteren. Eerbied, waar je de ander die lijdt groter acht dan jezelf, omdat hij lijdt. Eerbied is een mystiek begrip. Respect is een sociaal begrip: ik heb respect voor je verdienste. Eerbied heb ik omdat de ander mij mateloos ontroert in zijn verdriet, schoonheid, onschuld. Eerbied is niet iets wat je kiest als beroep. Het is het enige wat ik kan en wat ik wil. Ik heb niet veel talenten, behalve misschien het talent van de eerbied.

Geef ik mij persoonlijk bloot bij ontmoetingen? Dat is typisch een vraag van uw generatie. Wij, ouderen, vinden niets gekker dan een moeder die zich als de zus van haar dochter gedraagt. De moeder heeft haar eigen ziel. In de verhouding moeder-dochter spreekt de dochter meer. Als de verhouding warm is, weet de dochter genoeg. Niets is vruchtbaarder dan leeftijdsverschil. Jonge mensen van nu hebben een grote behoefte aan oude mensen die naar hun luisteren. De grootmoeder zit tegenwoordig ook in de lift. Je noemt je grootmoeder niet Annie. Dat is onkuis. Maar de grootmoeder vertrouw je wel meer toe dan de moeder. Zij staat toch al met één been in het graf. Jonge mensen voelen dat: 'Wat ik vertel zal mij niet levenslang als oordeel vergezellen. Mijn geheim gaat mee het graf in'.

's Avonds om tien uur, voor ik naar bed ga, ga ik wandelen. Ik bezoek dan een paar kroegen. Ik heb ongeveer tien vaste kroegen, waarvan drie homokroegen. Het personeel kent me totaal. Ik heb in twintig jaar niet één consumptie betaald. Dat is altijd van het huis of van een klant. In een heteroseksueel café dat ik veel bezoek in de Jordaan komen veel gescheiden jonge mensen die mij daarover aanspreken. En in homokroegen vertellen jongens me over hun eenzaamheid of over het verlies van een vriend aan aids. Alle mensen die met mij over de ziel hebben gepraat, schrijf ik de volgende dag een brief. Laatst sprak ik een jongen van 35 jaar, academicus maar rauw van type. Hij had z'n vader geslagen, vertelde hij, z'n vader was gevallen en was gaan bloeden. Ik duid dat in de brief dan schematisch aan 'dat ongeluk met vader', je bedoelde dat helemaal niet zo. Je weet ook dat het in je zit, maar ik hoorde uit je verhaal hoe vreselijk je het vond. Mijn brieven zijn een tikje idealiserend, wel waarheidsgetrouw, zodat diegene denkt: goh, ben ik dat ook? Ik wil zeggen: er zit achter je schuld meer onschuld dan je denkt.

U hebt nog niet gevraagd of ik bid. 's Morgens als ik wandel, dat is een diep ervaren. Dat is niet minder diep dan vroeger toen ik vaak bad. In het klooster voor de maaltijden zijn er korte liturgische gebeden die enigszins de dag markeren. Maar ik bid formeel alleen als ik thuiskom, dat is ongeveer om één uur 's nachts. Dan ben ik vermoeid. Ik kniel neer op de bidstoel - ik ben tenslotte rooms-katholiek, ik heb een bepaalde lichamelijke, heel sensitieve gebedsstijl. Ik kniel neer op de bidstoel en hef de handen omhoog. En dan noem ik hardop alle namen van de mensen die ik die dag heb ontmoet. Ik beveel ze aan God, aan de Eeuwige. Waar ik eigenlijk niets van weet dan dat Hij deze mensen liefheeft. En mij dat ook gebiedt. Verder niets. Dat is alles.''

mailIcon print |