Van onze correspondent BRUSSEL - Het sociale Europa bestaat wel degelijk. We moeten alleen realistisch zijn: het heeft geen zin om mooie voorstellen te doen die door de EU-lidstaten toch niet geaccepteerd worden. Belangrijkste doel is voorlopig om Groot-Brittannië weer te betrekken bij de sociale politiek.
Die boodschap leverde voorzitter van de Europese Commissie Jacques Santer gisteren af aan het congres van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV). Het EVV is vier dagen lang bijeen in wat het grootste vakbondscongres sinds de Tweede Wereldoorlog wordt genoemd.
De vakbeweging is lovend over de Europese Unie. Het EVV had voor de opening van het congres enkel 'eurofielen' uitgenodigd. Naast Commissie-voorzitter Santer waren dat de Belgische premier Jean-Luc Dehaene en voorzitter van het Europees parlement Klaus Hünsch. De Oostenrijkse EVV-voorzitter Fritz Verzetnitsch gaf toe dat scepsis en opbloeiend nationalisme die liefde voor Europa hinderen: “Stelt u zich voor: we hebben een Europa dat meer en meer één wordt, maar waarin niemand meer gelooft.”
De vakbeweging is nog wel degelijk overtuigd van de noodzaak van een verdere Europese integratie. Maar tot nu toe heeft de nadruk te veel gelegen op de economische eenwording. Het sociale Europa komt te moeizaam van de grond. In het Verdrag van Maastricht werd weliswaar een sociaal beleid uitgetekend, maar onder dat deel van het verdrag ontbreekt de handtekening van de Britse premier Major.
Een van de weinige overwinningen op Europees vlak die de vakbeweging de afgelopen jaren kon noteren was de invoering van de Europese ondernemingsraad, een consultatieorgaan in grote ondernemingen met vestigingen in meerdere lidstaten. Maar Groot-Brittannië bleef gesloten voor die Euro-OR.
De kritiek op de gebrekkige voortgang in de sociale politiek kreeg de wind in de zeilen, toen de Europese Commissie van Jacques Santer onlangs haar sociaal actieplan bekend maakte. Daarin wordt gas teruggenomen als het gaat om nieuwe wetgeving; het accent ligt op het behoud van wat de Unie nu aan sociale wetgeving heeft. Maar wat de Unie heeft, is voor de vakbeweging te weinig.
Santer wees de kritiek van de hand. De Commissie, zei hij, werpt duidelijk een dam op tegen de afbraak van de welvaartsstaat die in veel EU-landen aan de orde is. Voor het overige moeten we zin houden voor de werkelijkheid: het heeft voor de Europese Commissie geen enkele zin voorstellen te doen die bij de lidstaten geen kans van slagen hebben.
Belangrijker is het om te zorgen dat het sociaal beleid weer een zaak wordt van alle vijftien lidstaten. Volgend jaar wordt begonnen aan de herziening van het Verdrag van Maastricht. Dan zou er aan de Britse uitzonderingspositie een eind gemaakt moeten worden. 'Brussel' rekent daarvoor niet zozeer op John Major, maar meer op Labourleider Tony Blair. Ten laatste in 1997 zijn er immers verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk.
Santer en de Belgische premier Dehaene wezen op het belang van een snelle monetaire eenwording in de Europese Unie. Voor het eind van de eeuw zou er in een deel van de Unie één munt en één centrale bank moeten zijn. Zonder die monetaire integratie is de interne markt die de Unie nu heeft onhoudbaar, aldus Dehaene.
De recente valuta-onrust heeft de Europese munten uiteen gedreven en de concurrentieverhoudingen verstoord. Europa moet middels de monetaire unie die verstoring van de concurrentie uitschakelen. En vervolgens zou via een Europees sociaal beleid ook voorkomen moeten worden dat de concurrentie wordt vervalst door verschillen in arbeidsvoorwaarden en sociale wetgeving. Uiteindelijk, zegt Dehaene, kan de Europese integratie niet zonder sociale eenwording.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.