*

 
dossier

Archief

'IK BEN ALTIJD EEN AFGRIJSELIJK VROOM MEISJE GEWEEST'

ARJAN VISSER − 30/05/98, 00:00

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Het is nog steeds de God uit mijn kindertijd, al leerde ik in de loop der jaren ook meerdere kanten van Hem kennen. Ik kom uit een Baptistengezin. Geloof was een levende werkelijkheid bij ons thuis. Er werd veel over gesproken en er werd ook naar geleefd. Niet op een dogmatische manier, maar op een warme, hartelijke wijze. Het basale godsvertrouwen, heb ik echt van huis uit meegekregen. God was goed. God hield van ons mensen.

Het is gek, maar ik heb nooit - ook als puber niet - de fase gekend waarin je je tegen God afzet. Ik ben altijd een afgrijselijk vroom meisje geweest. Ik ging graag naar de kerk, wilde veel zien en horen. Ik ging naar de St. Bavo, in eerste instantie vanwege het orgel, maar er gingen ook predikanten voor die mij iets te zeggen hadden. Zo is het gekomen dat ik al snel dacht: dit wil ik ook. Eerst dacht ik dat ik zendeling wilde worden. Een meester op de lagere school vertelde over Albert Schweitzer in dat oerwoud en dat vond ik prachtig. Maar ik was als de dood voor al die enge beesten, dus dat was geen optie.

Bovendien ken ik de echte zendingsdrang niet: ik ben niet gedreven om mijn godsdienst uit te dragen. Ik sta op de kansel om mensen hun eigen levensverhaal in dat grote verhaal van God en mensen te laten ontdekken. Ze komen niet alleen omdat ze naar mij willen luisteren, maar ook omdat ze de sfeer in die kerk willen beleven. De mensen die bij mij in de kerk komen, komen daar geheel uit vrije wil. Ik dwing ze niet om 'in te gaan'.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Ik woonde vlakbij een grote neo-gotische roomse kerk. Af en toe glipte ik daar met vriendjes naar binnen om naar al die beelden te kijken. Die vond je niet in onze kerk. Dat mocht niet van God, zo leerde ik thuis. In mijn Maastrichtse jaren ben ik van beelden gaan houden. Daar heb ik ook gezien hoe beelden mensen kunnen helpen. Het is iets zichtbaars, iets tastbaars en in wezen verschilt die 'verering' niet eens zoveel van hoe er in reformatorische kring met woorden en dogma's wordt omgegaan. Het gaat er volgens mij om dat je iets niet vastprikt, zegt: 'Zo is het en niet anders' en daar vervolgens voor op de knieân gaat. Ik ben ook niet opgevoed met de gedachte dat katholieken heidenen of afgodendienaars zijn; ik ben overigens dol op heidenen.

Ze geloven in dezelfde God, maar bezoeken een ander filiaal en daar moet je respect voor hebben. Als mensen stuk lopen op het katholieke geloof, dan heeft dat ook eerder met de leer dan met de sfeer te maken. Ik merk aan de weglopers die uiteindelijk in de Wester terechtkomen dat ze vaak een bepaalde heimwee naar de mystiek, naar het theater - in de goede zin van het woord - houden. De zintuigen komen in de roomse kerk veel meer aan bod. Wij hebben ook stola's, paaskaarsen en noem maar op, maar de oude roomse liturgie is toch veel meer een kijkspel. Ik vind sfeer ook erg belangrijk.

De woorden moeten zorgvuldig zijn gekozen, daar moet je als predikant ontzettend je best op doen, maar de mimiek, de muziek; de setting van zo'n dienst is minstens zo belangrijk. Dat er mooie bloemen staan. Dat er op het juiste moment stilte is. Ik ben daar streng in. Mensen begrijpen dat niet altijd, maar het wordt gewoon een rommeltje in zo'n grote kerk als je daar niet de hand aan houdt.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Het gaat erover dat je Gods naam niet voor iets nietigs mag gebruiken. Zo stel ik mijzelf tijdens het in stramien zetten van een preek al de vraag of ik niet mijn eigen ideeen in naam van God zal gaan verkondigen. Ik heb het daar in het afgelopen jaar erg moeilijk mee gehad. Hoeveel zaterdagmiddagen heb ik niet gedacht: ik kan het niet, laat een ander morgen maar voor mij invallen. Dat is een teken dat je zelf dus heel emotioneel in zo'n preek zit. Het gaat in een preek over wezenlijke grondbegrippen. Het gaat over Gods trouw, over troost, liefde, schuld, vergeving en barmhartigheid.

Dat zijn stuk voor stuk woorden waar ik het van tijd tot tijd behoorlijk te kwaad mee heb gehad. Het is niet gemakkelijk om over barmhartigheid te preken, wetende dat de mensen die hebben geprobeerd je kapot te maken voor je in de kerk zitten. Ach, het moet nu ook weer niet zo klinken alsof ik degene ben die alles is aangedaan, het gaat natuurlijk om meer in zo'n gemeente. Waarom ben je een gemeente met elkaar? Wat is vergeving, wat is trouw, wat is liefde? Als je het geloof opgeeft dat je daar samen de antwoorden op kunt vinden, dan moet je er inderdaad maar mee ophouden. Want dan krijg je partijen binnen de kerk en verdwijnt het wezen van de christelijke gemeente.''

“Ik heb - tot mijn ontroering en troost - ook ervaren dat een overgroot gedeelte van de gemeente erg betrokken is geweest bij wat mij is overkomen, maar niettemin komen ze daar op die zondagochtend niet voor. Natuurlijk, ik kan mezelf niet uitschakelen: ik ben wie ik ben en ik kan niet doen alsof mijn leven niet bestaat. Dat heeft ook z'n positieve kanten, want mijn gehoor bestaat uit mensen met hun eigen vreugde en verdriet. Als je zelf weet hebt van verdriet, brengt dat je dichter bij die ander.”

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen “Alhoewel ik haast iedere zondag werk, is het specifieke, dierbare gevoel dat bij die dag hoort, nooit verdwenen. Ik ben niet opgevoed met een treurige zondagspraktijk waarin helemaal niets mocht. Ik heb geen Maarten 't Hart-ervaringen; de zondag als de vreselijkste dag van de week. Nee, de zondag is een feestelijke dag.

Toen ik in Utrecht studeerde, had ik een kamer bij wat oudere katholieke mensen die altijd keurig naar de kerk gingen op zondagochtend. Als ik terugkwam uit de studentengemeente en de deur van het huis aan de Koningslaan opendeed, rook ik bloemen en vooral de feestelijke sigaar van mijn hospes. En dan was het zondag. Het had iets troostends. Het was alsof ik terug in Haarlem was, alleen hadden we thuis ook nog de geur van versgebakken appeltaart.

Protestanten hebben wat meer gàne om te laten merken hoe belangrijk ze die zintuigen vinden. Ik heb een hekel aan het woord Calvinistisch, maar toch, ik geloof dat protestanten nog altijd bang zijn om te genieten. Rooms-katholieken kunnen bijna ongegeneerd genieten. Wij worstelen nog altijd met zondigheid, ledigheid; alles moet zijn doel hebben. Maar genieten mag van God, dat weet ik zeker. We zijn hier niet alleen om voor de aarde te zorgen, maar ook om ervan te genieten.''

5. Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader heeft een poosje theologie gestudeerd in Brussel, maar toen de oorlog ertussen kwam, moest er gewoon brood op de plank komen en is hij in verzekeringen gegaan. Hij is heel bewust ouderling geweest en hield ook preken. Een beetje ouderwets, maar wel vol overtuiging. Ik vond dat hij het goed deed en vind dat nog steeds. Ik ben een vaderskind, de jongste van vier dochters.

Ik ben ook naar hem vernoemd. Hij vond het leuk dat ik theologie ging studeren, maar ik heb het niet voor hem gedaan. Toen ik hem vertelde dat ik daarna ook predikant wilde worden, zei hij: 'Kind, daar heb je een dikke huid voor nodig en die heb jij niet'. Daar heb ik nog wel eens aan gedacht, de laatste tijd. Ik heb veel verdriet gehad over de dood van mijn vader. Dat verdrietige gevoel bekruipt me na ruim twintig jaar nog wel eens. Hij is een half jaar ziek geweest, heeft ook een smartelijk ziekbed gehad. We zijn al die tijd bij hem geweest en hebben op een goede manier afscheid kunnen nemen, maar dat doet niets af aan het gemis: ik voelde me zo vreselijk nauw met hem verbonden.

Op momenten van crisis is hij de eerste figuur die in mijn gedachten opkomt. Zoals mensen om hun moeder kunnen roepen in tijden van nood, zo kun je ook om je vader roepen. Naar mijn moeder kan ik gelukkig nog toe. Onze relatie is na mijn vaders overlijden sterk veranderd. Verbeterd ook. We zijn samen gaan reizen. Een keer per jaar gaan we samen op vakantie. Ik ben nu 45, mijn moeder wordt 85. Ik vind het een kostbaar iets om, met het ouder worden, te voelen hoe onze relatie zich verdiept.

Ze zegt nu al een paar jaar: 'Ik heb een mooi leven gehad, ik ben klaar voor de dood'. Ze is niet somber hoor, we kunnen ontzettend lachen samen, maar ze gaat lichamelijk sterk achteruit. Ik weet niet of ik wel klaar ben voor het afscheid. Kan dat wel, 'klaar zijn' voor zulk soort dingen? Ik zal haar erg missen, mijn lieve oude van dagen. Ja, ik eer mijn moeder, maar zij is dan ook zeer eerwaardig.''

6. Gij zult niet doodslaan

“Tijdens een preek over dit gebod, begin oktober vorig jaar, moest ik afhaken. Ik had de gemeente, voor ik de kansel opging, verteld dat ik op doktersadvies een tijdje zou stoppen. Ik was net een paar minuten bezig toen ik plotseling niet meer verder kon. Mijn lijf liet het afweten: ik kreeg akelige benen, ijskoude handen.

Ik had in die tijd last van hartkloppingen, van hartritmestoornissen en hyperventilatie; allemaal psychosomatische klachten waarvan je altijd goed weet hoe je daar met anderen over moet praten. Maar nu overkwam het mij zelf. De kruik gaat net zo lang te water tot-ie barst. Diezelfde dag schreef een lief, oud, trouw gemeentelid mij een brief, nogal emotioneel, waarin ze zei: Ze zijn bezig u aan het vermoorden.

Ik ben niet de vermoorde onschuld, maar op een gegeven moment voelt dat wel zo. Ik heb zelf in deze hele affaire nooit 'moordlustige' gevoelens gehad. Ik kan met de hand op mijn hart zeggen dat ik niet haatdragend ben. Ik kan goed vergeven. Zelf ben ik ook geneigd om naar een ander toe te gaan en te zeggen: 'Wat heeft je nu zo aan mij gestoord?' Ik kan dingen hebben gezegd, zonder me te bedenken dat ik daarmee een ander verdriet doe. En ik vind ook dat ik dan ruimhartig moet kunnen zeggen: 'Het spijt me dat ik dit bij jou teweeg heb gebracht'.''

7. Gij zult niet echtbreken

“Tot de dood scheiding maakt, betekent niet: tot de dood erop volgt. Je krijgt geen levenslang. Je wilt graag levenslang bij elkaar zijn en daar doe je alles voor - je laat elkaar bij tegenslagen ook niet zomaar in de steek - maar het komt voor dat relaties doodgaan.

Ik ken het gevoel dat, als je elkaar verstikt, het dapper is om te zeggen: 'Wij gaan uit elkaar, want wij hebben nog deel van leven'. Daar is het God, als schepper en bevrijder, namelijk om te doen, dat mensen deel van leven hebben.

Ik heb op dit moment geen relatie. Er is ruimte voor een partner, maar het is zeker zo dat een gemeente je op kan vreten en er haast geen prive meer overblijft. De meest gehoorde klacht van de partner van een dominee is: hij of zij is met de gemeente getrouwd.

Verder vind ik het niet nodig om daar iets over in de krant te zetten - als het zover is, plaats ik wel een advertentie. Natuurlijk: een mens kan niet zonder liefde, zonder een klankbord, zonder nabijheid. Maar dat hoeft niet per definitie met een en dezelfde persoon te zijn. Niet dat ik er voorstander van ben om er tegelijkertijd verschillende relaties op na te houden - daar is mijn hart ook niet groot genoeg voor - maar ik denk dat er in iedere relatie wel dingen blijven liggen die je nu eenmaal niet met je partner kunt delen. En dat doe je dan met een goede vriend of een vriendin. Daar is niets mis mee.''

8. Gij zult niet stelen

“Nog niet zo lang geleden werd ik, bij mij om de hoek, overvallen. Soms droom ik er nog angstig van. Ik had het mezelf nog kwalijk genomen dat ik me niet beter had verweerd, hoewel ik een behoorlijke partij heb staan schreeuwen en de dader achterna ben gerend. Maar toen de buurvrouw de volgende dag het door een vlijmscherp mes afgesneden hengsel van mijn tas vond, bedacht ik dat het maar goed was geweest dat ik hem niet tegen zijn schenen had geschopt.

Ik ben nog meegegaan naar het bureau om boeventronies te bekijken. Toen ik die vijftig koppen onder ogen kreeg, dacht ik: hoe is het zo ver met je gekomen dat je hier op deze galerij moet prijken? Die compassie voelde ik wel. Maar als ik mijn overvaller had herkend, zou ik toch hebben gezegd: dat is 'm! Hij heeft van mijn spullen af te blijven. Zo'n dief heeft geen besef van wat hij een ander aandoet. Dat hij zelf dat gevoel niet kent, betekent waarschijnlijk dat hij ook geen dingen bezit die hem werkelijk dierbaar zijn. En dat is op zich wel erg schrijnend.''

9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

“Ik heb heel wat achterklap te verduren gehad. Veel kritiek en vaak anoniem geuit. Er zijn altijd dingen, in het veelvormige takenpakket dat je als predikant hebt, waar je niet zo best in bent. Zo heb ik moeite om iets goed te organiseren - daar moet ik erg met mijn koppie bijblijven - maar dat zijn vaardigheden die je kunt leren.

Ik ben er ook al beter in dan een aantal jaren geleden. Wat mij het meest raakt, is iemand bijvoorbeeld horen roepen dat ik niet 'empatisch in het pastoraat' zou zijn. Ik weet zeker dat ik dat wül ben. En ik kan je vertellen dat zo'n beschuldiging pijn doet. Dat is het gemene van laster, er is geen verweer tegen. En het beschadigt mij toch omdat mensen denken: waar rook is, is vuur. Mijn supervisor zegt: 'Zij smijten met poep, maar jij gaat er wel naar stinken'.

En dat is natuurlijk ook zo. Ik heb gelukkig gemerkt dat ik een taaie constitutie heb en psychisch ook wel tegen een stootje kan. Er valt nu veel aan te vatten en deze periode is in die zin heilzaam voor mij geweest. Maar dat zeg ik pas achteraf. Op dat moment moet je niet zeggen: 'Je zult zien, straks ben je blij dat je het allemaal hebt meegemaakt'. Ik ben helemaal niet blij! Het had me van harte gestolen kunnen worden. Maar je krijgt je portie te kauwen en dat heb je maar te doen. Nu pas kan ik zeggen dat het me gevormd heeft; dat ik er older, wiser, maar gelukkig niet sadder van ben geworden.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.

“In een van de psalmen staat berijmd: 'Ik heb geloofd en ik begeer het waar te maken dat ik uw recht zal roepen van de daken'. Begeerte is ook een positieve kracht in mensen. Je kunt niet leven zonder begeerte: noem het sterk verlangen.

Het heeft een beetje een kwalijke klank, maar je mag best graag iets willen. Dominee worden in de Westerkerk is in die zin een begeerte voor mij geweest. Ik wilde dat graag en ik ambieer het nog steeds. Prestige speelt natuurlijk een rol in domineesland, daar ben ik van overtuigd, daarom is er ook zoveel jaloezie onder collega's. Je moet wel goed de grenzen van je eigen ambitie in de gaten houden. Je moet willen presteren, keihard werken en je best doen, maar ook weten dat je niet alles kunt. Ik weet niet waar ik eventueel na de Westerkerk nog naar toe zou willen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog geen seconde ben toegekomen aan het prakkizeren over andere ambities.

Bij dit gebod moet ik overigens aan afgunst en schuine blik naar een andermans groene gras denken. Ik ben te veel dominee om dit niet met een verhaaltje te willen illustreren. Ene rabbi Eisik uit Krakau wilde graag rijk worden. In een droom werd hem gezegd dat hij naar Praag moest gaan om te graven onder een bepaalde brug. Daar zou hij een schat vinden. In Praag aangekomen, aarzelde de rebbe om aan de slag te gaan, bang dat men hem zou betrappen.

Totdat iemand die hem zag rondschuifelen, vroeg wat hij onder de poort aan het doen was. De rabbi vertelde van zijn droom en die ander moest daar vreselijk om lachen. 'Zo'n soort droom heb ik ook eens gehad', zei hij, 'ik moest naar Krakau gaan, naar het huis van een zekere rabbi Eisik. Daar zou ik een schat onder de schoorsteen vinden'. De rabbi haaste zich naar huis en vond in zijn eigen huis de schat van zijn leven.''

mailIcon print |