Wie 'bezit' de identiteit van een school?, zo vroeg Henk Witte, lid van het hoofdbestuur van Ons middelbaar onderwijs (Omo) en beleidsmedewerker van het secretariaat van de r.-k. kerkprovincie, zich af in zijn Podiumartikel van 21 december. Een docent levensbeschouwing is met zijn antwoord niet tevreden. De auteur is docent levensbeschouwing Merletcollege Land van Cuyk en lid van het bestuur van de VDL (Vereniging van docenten levensbeschouwing).
Volgens hem is er maar één instantie die borg kan staan voor die identiteit en dat is “de levensbeschouwelijke gemeenschap: de moreel-religieuze en soms ook etnische groep, die een bepaalde praxis en een bepaald patroon van waarden en normen onderschrijft. En zo een bepaald gezicht op het leven voorstaat.” Zo'n levensbeschouwelijke gemeenschap moet in zijn ogen niet al te plaatselijk zijn, want dan ontstaat er te gemakkelijk een “momentaan onderonsje”. De eisen die aan een dergelijke gemeenschap gesteld moeten worden, dienen zowel het eigen (grond-)gebied als de eigen tijd te overstijgen: “Haar wortels liggen immers in een traditie en haar verantwoordelijkheid betreft ook de toekomst daarvan. Traditie is de gemeenschap door de tijden heen.”
Hoe plausibel op het eerste gezicht ook: toch heb ik wat problemen met deze voorstelling van zaken. Want vanuit de dagelijkse praktijk van een (rooms-katholieke) scholengemeenschap, én vanuit mijn contacten met andere scholen (óók binnen het verband van datzelfde Ons middelbaar onderwijs in Tilburg) zie ik een heel ander beeld ontstaan. Ik zie scholen die voortdurend bezig zijn hun levensbeschouwelijke entiteit vorm te geven. En dat is geen sinecure. Want het kan niet ontkend worden: dit streven verloopt veelal moeizaam en maar zelden schoolbreed.
Maar mag men dat de scholen kwalijk nemen? Wie heeft hen immers in het (katholieke) verleden leren omgaan met levensbeschouwelijke vraagstukken? Wie heeft de plaatselijke schoolgeledingen ooit aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid in deze? Wie heeft (óók binnen het verband van Ons middelbaar onderwijs) zich ooit bekommerd over de vraag of de scholen daarvoor de vereiste knowhow in huis hebben? Wie heeft bijvoorbeeld scholen ooit leren communiceren op levensbeschouwelijk terrein en ervoor gezorgd dat zij over de daarvoor broodnodige communicatieve vaardigheden beschikken?
Emancipatie
Niettemin rekenen vele scholen het zich tot een plicht de levensbeschouwelijke identiteit, zo adequaat als hen mogelijk is, ter sprake te brengen. Steeds meer zien scholen het als een legitiem streven, in dienst van hun eigen emancipatie, ook op levensbeschouwelijk terrein, de verantwoordelijkheid voor de eigen identiteit zelf in handen te nemen en niet toe te vertrouwen aan een of andere instantie buiten hun muren: parochie, diocees of de kerkelijke hiërarchie.
Vanuit mijn eigen onderwijspraktijk weet ik dat onze scholengemeenschap, onder invloed van een fusie-proces, zich wel degelijk bekommerd heeft over de 'levensbeschouwelijke identiteit' van de nieuw te vormen scholengemeenschap. In alle geval heeft onze school er uitdrukkelijk voor gekozen de katholieke signatuur te behouden en haar identiteit te omschrijven als 'zorg voor de totale mens', inclusief zijn religieuze dimensie. Uiteindelijk is voor deze 'koepelterm' gekozen omdat daarin, zo vond men, alles wat aan zorg en begeleiding van mensen gebeurt het best kan worden samengevat. Binnen dit raam, zo was de perceptie, kan de 'levensbeschouwelijke optiek' van mensen voldoende aandacht krijgen in zowel het vakkenaanbod als binnen het totale schoolgebeuren en in de begeleiding van leerlingen en personeel. Dit alles tegen de achtergrond van de katholieke traditie waarin (naar ieders mening) de opvatting over de 'uniciteit van de mens' als voortdurende constante dominant aanwezig is. Deze identiteitsbeschrijving heeft ook als uitgangspunt gediend voor, wat later is gaan heten: het 'Missie-statement'.
Duidt Henk Witte zo'n (plaatselijk) proces van levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling als negatief omdat het is aangegaan “vanuit het (beperkte) perspectief van een school” en niet of te weinig vanuit “een levensbeschouwelijke gemeenschap die een bepaald gezicht op het leven voorstaat?”
Dus niks eigen verantwoordelijkheid voor de levensbeschouwelijke schoolidentiteit, niks emancipatorisch streven, ook op levensbeschouwelijk gebied. Ik vrees het ergste. En die ongerustheid stijgt als je even later van Henk Witte moet vernemen: “Wie identiteitsdiscussies heeft meegemaakt, weet hoezeer levensbeschouwelijke frustraties schuil kunnen gaan onder het geclaimde beschikkingsrecht en hoeveel invloed ze hebben op besluitvorming. En dat is op zijn minst kortzichtig.” Want onderwijs voedt jongeren niet alleen op tot de huidige maatschappij maar moet hun ook perspectieven bieden op een ideale, gedroomde maatschappij: “Onderwijs gaat ook over idealen, dromen en wensen” en die zijn, volgens Witte, blijkbaar in slechte handen van “plaatselijke en momentane” onderonsjes van gefrustreerde ouders, leerlingen en leerkrachten.
Henk Witte's opvattingen betreffen dan allang niet meer alleen het confessioneel onderwijs: het is een draai om de oren van iedereen die zich om 'de pedagogische opdracht' van een school bekommert. Maar goed, veronderstel dat Henk Witte, minstens ten aanzien van het confessioneel onderwijs, gelijk heeft; veronderstel dat het juist is dat de 'brede geloofsgemeenschappen' de dragers zijn van die schoolidentiteit: hoe moet ik dan die ontwikkeling zien binnen het 'katholieke erf?' Komen de bisschoppen dan weer in de picture als 'bezitters' van die levensbeschouwelijke identiteit (al dan niet bijgestaan door de Nederlandse katholieke schoolraad)? Want 'katholieke kerk' verstaan zij immers allereerst als 'kerkhiërarchie' en pas in afgeleide zin als 'gemeenschap van gelovige mensen'.
Naar mijn gevoel zijn wij dan weer terug bij af en bij een van de belangrijkste oorzaken uit het verleden waarom het nu op vele scholen zo slecht gesteld is met de invulling van de 'levensbeschouwelijke identiteit', namelijk: de levensbeschouwelijke onmondigheid van de school.
Of zal Henk Witte ook deze vrees onderbrengen onder de noemer van “levensbeschouwelijke frustraties (die) schuil kunnen gaan onder het geclaimde beschikkingsrecht” en waarvan je niet vermoedt “hoeveel invloed ze hebben op besluitvorming”?
Maar wie geeft mij dan de garantie dat ook hijzelf daar niet onder gebukt gaat?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.