De vorige aflevering verscheen op 3 januari. Amsterdam Oud-West, zo'n buurt die vroeger 'volksbuurt' heette en waar nu Marokkaanse, Surinaamse en Turkse gezinnen, werklozen, studenten en gepensioneerden het met elkaar moeten zien te rooien. Dertigduizend mensen wonen er. En daarvan gaan er op zondag ongeveer dertig naar de hervormde Gasthuiskerk, vijftig naar De Poort (gereformeerd) en tweehonderd naar de rooms-katholieke Vincentius (of 'de Liefde'). De kerk in de stad is minuscuul aan het worden, in Oud-West wat dat betreft 'nichts Neues'. Hoe reageren de pastores op dat krimpen van hun bereik? Deel twee van een tweeluik over kerken in deze oude stadswijk.
“Klein is niet per definitie deprimerend”, zegt dominee Reender Kranenborg (gereformeerd) afgemeten. “We hebben een levendige, hechte groep. Maar bij de oudere leden kom je wel somberheid tegen. 'Het kan toch niets meer worden, als er geen jongeren bij komen?' zeggen zij.”
“Weinig mensen misschien, maar wel zeven nationaliteiten in één viering”, zegt pastoor Leo Nederstigt met verlegen trots. De katholieke kerk trekt als enige van de drie gevestigde kerkgenootschappen naast Nederlanders veel allochtonen. Ze is - óók in Oud West - duidelijk meer 'volkskerk' dan de protestantse kerken. Leo Nederstigt is redelijk tevreden. “Een kleine oase in een buurt waar veel mensen verloren rondlopen, is al heel wat. Een plekje waar veel kaarsen afgefikt worden, waar mensen zich te barsten bidden.”
Het heeft geen zin te koersen op torenspitsen en neo-gothische gevels: In de oude Parkkerk huist tegenwoordig onder andere een kleine opera, in de Vondelkerk doen ze ook iets werelds, de Vincentius is niet lang geleden verdwenen en de Raamkerk ging tegen de vlakte voor een verpleegtehuis.
Christelijk Oud-West stapt niet meer met het hele gezin naar een hoog en trots gebouw op de maat van beierende klokken. De gereformeerden kerken in een recreatiezaal van verpleegtehuis De Poort, de hervormden huizen sinds een paar weken in een schattig bijgebouwtje van het voormalige Wilhelmina Gasthuis, een gebouwtje zonder toren en zonder kruis want dat is 'in onze ogen een nogal belast symbool'. En de katholieken hebben hun twee kerkjes verstopt in nieuwe woonblokken.
“Ik mis de Parkkerk wel”, zegt een oude dame van de hervormde gemeente. Ze drinkt, bij de opening van het Gasthuis, een kopje thee op de nieuwe behuizing. “Ik heb dominee Buskes er jarenlang meegemaakt. Toen was het nog 'Dag Jet! . . .Dag dominee!'. Nu krijg je te horen 'Zeg maar René'. Dat vind ik. . .” ze haalt haar schouders op.
Jodenkerkje Amsterdam heeft in het centrum enkele kerken die mensen trekken uit de hele stad, de Wester, de Keizersgrachtkerk, de Krijtberg, de Nicolaas. Maar de kerken in Oud-West horen in dat rijtje niet thuis - het zijn traditioneel gewone buurtkerken voor Jan en Alleman. Maar als het aan dominee Süss ligt, komt daar voor wat betreft zijn gemeente verandering in. Het Gasthuis moet een kerk worden met een eigen boodschap voor “heel Mokum”, een plek “waar de dialoog met de joodse traditie, moedergrond van de kerk, gevoerd wordt”. “Een 'jodenkerkje' dus, zoals iemand opmerkte? Als dat zou kunnen! Dat zou het immers een plek zijn waar Jezus zich thuis voelt”, schrijft Süss in een brochure.
Het ideaal van het 'jodenkerkje' is geen truc om klanten te werven. Süss weet niet eens zeker of het aantrekkingskracht uitoefent: “Ik heb het gevoel dat het jodendom weer 'uit' is, klopt dat?” Maar voor Süss' werk doet het antwoord er niet toe: het 'jodenkerkje' lijkt een levensdoel of - beter gezegd - een onmisbaar middel om te overleven voor deze 'leraar en herder', de in 1939 geboren, besneden èn gedoopte zoon van een joods-Duitse vader en een luthers-Duitse moeder. Süss heeft geen keuze; alles wat hij zegt en schrijft, zelfs hóé hij het zegt en schrijft, staat nu eenmaal in verband met de dialoog tussen de jood en de christen in Süss.
Wie Süss verwijt een persoonlijke obsessie of hobby uit te leven ten koste van zijn gemeenteleden, verwijst hij echter naar de ontwerp-kerkorde van de Samen op Weg-kerken. “Wij hebben een hervormde gemeente 'onderhoudende artikel 1 van de ontwerp-kerkorde”, zegt hij en citeert: “De VPKN is overeenkomstig haar belijden gestalte van de ene heilige katholieke of algemene christelijke kerk die zich, delend in de aan Israël geschonken verwachting, uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God.”
Zijn eerste preek in het nieuwe Gasthuisgebouwtje stond geheel in het teken van de herdenking van de vernietiging van het Europese jodendom. Dertig hoofden, de meesten grijs, luisteren stil toe. Er zweeft respekt maar ook enige reserve door het zaaltje. “Sommige gemeenteleden voelen zich niet thuis bij wat ik doe. Er zijn er die er oprecht door geraakt worden. Maar sommigen hadden toch liever 'een gewone dominee'. Dat kunnen ze alleen niet zeggen, want ze hebben niet genoeg geleerd om me van repliek te dienen. Hoe ga je daar nou mee om?”
René Süss is een ketter van nature, hij geeft het blijmoedig toe. “Het leukste aan de kerk zijn de ketters. Jammer genoeg houdt de kerk geen leerprocessen meer, waarin opvattingen voor een theologisch gerecht worden gedaagd. Dat had mij wel wat geleken.” Een veroordeling zou zeker niet uitblijven. Toen het moderamen van de hervormde kerk tijdens een werkbezoek begin deze maand de Gasthuiskerk aandeed, kreeg het van Süss te horen: “Ik droom van een prediking waarin niet Gods bestaan en zijn openbaring in Jezus Christus volgens de geijkte formules wekelijks vastgesteld worden, maar waarvan stimulansen uitgaan om zijn komst met volharding te verwachten, want gelooft u mij: God doet van alles maar het minst graag wel bestáán.”
Ze vormen een merkwaardige combinatie, de geestelijke herders van Amsterdam Oud-West. Süss: “Het is lastig samenwerken met Kranenborg (gereformeerd) en Nederstigt (katholiek). Ik ben zelf moeilijk, ik hou van polemiek en confrontatie. En dan krijg ik te maken met een katholieke pastoor, zo rooms als alleen in boekjes kan, en met een gereformeerde dominee die mij zo'n beetje als de Antichrist ervaart.”
Zo zou dominee Kranenborg, een man van het under- niet het over-statement, het nooit zeggen. “Süss heeft zeer uitgesproken opvattingen en die liggen in onze gemeente héél moeilijk. De consequenties die Süss trekt uit zijn Israël-theologie, zijn beeld van God en Jezus Christus, stroken bepaald niet met hoe ik daarover denk. Wij verschillen grondig van mening.”
Zodat in Oud-West de grote oecumene, mèt de roomse kerk er bij, soepeler verloopt dan de samenwerking tussen de twee protestantse kerken. Geen wonder dat er in het Samen op Weg-proces in deze buurt al jaren geen schot meer zit. Bij gebrek aan animo bij de pastores wordt het proces over een jaar maar van bovenaf opgelegd. Omdat de Gasthuisgemeente (het 'jodenkerkje') te klein is geworden om levensvatbaar te zijn, wordt van de naburige SoW-Nassaukerk, de gereformeerde Poort en de Gasthuiskerk geeist dat zij zich onder één kerkeraad scharen. Dominee Kranenborg piekert er overigens geen seconde over die organisatorische samenwerking aan te kleden met gezamenlijkheid op het gebied van de inhoud van de prediking en de liturgie.
Waar dromen onze voorgangers van? Wat voor kerk zouden ze willen bouwen in Oud-West? Süss ìs zijn thema - de verhouding tussen jodendom en christendom. De sociale nood in de directe omgeving ziet hij óók in dat licht, hij verwijst naar de joodse traditie van georganiseerde barmhartigheid en zorg voor de naaste: “Alleen al het sjiwwe zitten bij een gestorvene - het zijn zulke voortreffelijke gebruiken.” Maar in de praktijk zijn de mogelijkheden volgens hem klein: “Het is al een enorm werk om gemeenteleden die een beroep op me doen te helpen. Aan de ellende buiten de gemeente kom ik nauwelijks toe. We hebben geen mensen!”
Gekkigheid Vragen over de rol van de kerk in de samenleving en de rol van zijn kerk in de buurt, moet Süss aan anderen overlaten, aan de mensen van het kerkelijke Inloophuis bijvoorbeeld, aan de interkerkelijke buurtwerkster Alice Groeneveld en aan een groep vrijwilligsters die zich met ijzeren volharding nuttig maken voor de minder bedeelden Oud-West.
In de kerk van Süss' dromen gaat het 'leren' samen met stevig gewortelde rituelen en met feestvieren, echt uitbundig feestvieren. “Ik zou zo graag meer gekkigheid willen. Maar in Nederland zijn zelfs de joden nog calvinistisch. Waar is een kerk voor? Om er voor te zorgen dat de tijd structuur krijgt. Zodat de zondag niet is als de dinsdag, de ene week niet zoals de volgende.”
Ds. Kranenborg kiest op andere gronden en in een andere vorm net als Süss voor het 'leren', maar zonder 'gekkigheid'. “Ik heb een halve baan bij De Poort. In die halve baan geef ik voorrang aan het echte kerkewerk. En ook wij tobben voortdurend met mankrachtgebrek en met gebrek aan continuïteit. Ik ben niet zo betrokken bij het Inloophuis of het Interkerkelijk buurtwerk. Daar hebben we mensen voor. Ik besteed mijn tijd aan pastoraat, aan de diensten, de liturgiegroep, de belijdenisgroep, de bijbelkring, de theologische kring . . . het kost veel avonden.”
Maar als een kerkelijke gemeenschap zo snel inkrimpt en vergrijst en zo zeer haar betekenis voor de omgeving aan het verliezen is, groeit in de voorgangers dan niet een groot onbehagen over dat binnenwaarts gerichte werk? Hebben zij er geen behoefte aan om al die tienduizenden niet-gelovige buurtbewoners eens tegemoet te treden, desnoods op een zeepkist. “Nou nee”, zegt Kranenborg geamuseerd en verbaasd, “zo'n evangelist ben ik in mijzelf in al die jaren nog niet tegengekomen. Ik heb die behoefte niet. Misschien omdat ik er domweg geen tijd voor heb. Wat blijft er van de kerk over zonder diensten en zonder pastoraat? Dat zijn dingen die gewoon horen. Waarom zou ik me daar niet op mogen toeleggen? Evangelist ben ik in mijn publikaties.”
Deert het de dominees dan niet dat de reikwijdte van hun 'kerkewerk' - of het nou ketters is of orthodox - zo klein is geworden? Wordt hun werk door de secularisatie niet zinloos? Kranenborg: “De kerken in een stad als Amsterdam zullen héél klein worden, minimaal. Aan de kerken ligt dat niet; ik zou niet weten wat we nog meer konden verzinnen om het tegen te gaan. Het gaat me aan het hart en je slijt er als predikant aan, omdat je steeds weer nieuwe mensen moet vinden voor het werk dat gedaan moet worden. Maar zinloos wordt het werk er niet van, nee. Waarom zou het minder zinvol zijn een kleine groep te bedienen, dan een grote groep?”
Süss danst over de secularisatiezorgen heen - zijn relatie met het instituut 'kerk' is te complex om daar wakker van te liggen. Zowel het leren als het feestvieren gaat in een kleine club 'halve garen' beter dan in een keurige, volle burgermanskerk. Small is beautiful. “Trouwens, wat zou ik moeten doen als ik de kerk de rug toekeer? Moet ik dan bij de yuppen gaan zitten?”
Zelfs pastoor Leo Nederstigt maakt zich niet kwaad over de ontkerkelijking. Van de tienduizend geregistreerde katholieken van Oud-West ziet hij er maar twee- tot driehonderd met enige regelmaat. En tòch heeft ook Nederstigt geen evangelisten-zeepkistenneigingen. Hij droomt al net zo min als zijn protestantse vakbroeders van een kerk met veel impact op de omgeving.
Hij praat laconiek over het geploeter - ieder jaar weer een groepje voor een handjevol jongeren en iedere keer haken ze af, eerder vroeg dan laat. “Er blijft altijd wel wàt van hangen. Het gaat me wel aan het hart. Ik wil dat God gekend wordt. Maar ik denk ook: Hij zorgt er wel voor dat hij gekend wordt.”
“Ik heb de oude 'Liefde', een groot kerkgebouw, niet voor niets afgebroken. Ik droom niet van groot. Als ik al een droom heb, dan is dat een kerk die altijd open is en waar iedereen zich thuis kan voelen. Ik wil heel dicht bij de buurt staan. Het is nog niet gelukt in de mate die ik nastreef. De taal van de buurt is nog steeds een andere dan die van de kerk.”
Nederstigt is in vergelijkig met zijn protestantse vakbroeders veel meer op het maatschappelijk engagement en veel minder op een studeerkamerbestaan ingesteld. Hij is trots op zijn kerk voor de 'have nots' waar het stinkt naar zwervers, “waar de depressieve vrouw haar tranen laat gaan”. Nederstigt vrijwilligt zelfs een beetje onder de daklozen en verslaafden van het Inloophuis. Hij heeft veel weg van een ouderwetse dorpspastoor, die hart heeft voor zijn mensen èn voor de traditie. “Ik geloof in de kerk,” zegt hij. “Toen ik in de roerige jaren zestig op de priesteropleiding zat, mocht je van de tijdgeest geen 'Zalig Pasen' zeggen. Maar ik ben iemand die graag Zalig Pasen zegt, snap je?” Liturgie vieren ”moet óók in een wijk als deze, naast alle maatschappelijke activiteiten. Een plek waar dat gebeurt is óók belangrijk voor mensen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.